Hermes Persmededeling

Regeringen Verhofstadt en Dewael verdedigen onvoldoende Nederlandse taal en doen taalwetgeving schuiven

Organisatie:CD&V
Verstuurd door:Luk Vanmaercke
E-post:[EMAIL PROTECTED]
Internet:http://www.cdenv.be
Telefoon:(02) 238 38 75
Telefax:(02) 238 38 60
Datum:11-02-2002







REGERINGEN VERHOFSTADT EN DEWAEL VERDEDIGEN ONVOLDOENDE NEDERLANDSE TAAL
EN DOEN TAALWETGEVING SCHUIVEN



INLEIDING


De taal is een van de belangrijkste uitingsvormen van de mens, en daarmee de belangrijkste cultuurdrager. In hun moedertaal kunnen mensen zich met de meeste diepgang en nuance uitdrukken.

De strijd voor Vlaanderen is voor een aanzienlijk deel een strijd voor de eigen taal geweest : het Nederlands was en is het symbool van de Vlaamse identiteit.
Zo moet de vernederlandsing van het hele onderwijs in de jaren dertig van de vorige eeuw (eigenlijk nog geen zeventig jaar geleden) als een mijlpaal in het Vlaams emancipatiestreven worden beschouwd. Sinds die tijd speelt het Neder-lands op alle terreinen van ons openbaar leven de eersterangsrol waar het recht op heeft. Daarvoor hadden de Vlamingen decennia lang ondervonden hoe asociaal en ondemocratisch een onderwijs-, rechts- en bestuurssysteem kan zijn dat de eigen cultuurtaal door een vreemde taal vervangt.

Vlaanderen heeft zich kunnen ontvoogden dankzij twee belangrijke elementen, enerzijds een grote talenkennis van de bevolking, anderzijds een sterke verdediging van de eigen taal.

Een aantal evoluties, mondialisering, internationalisering van het onderwijs, ver-der-gaande Europese integratie, de informatietechnologie, enz. maken ener-zijds die talenkennis des te belangrijker, anderzijds hebben ze gevolgen voor de positie en het gebruik van de Nederlandse taal.

Om zich te kunnen handhaven in een meertalige samenleving waarin de grenzen vervagen, moet de Nederlandstalige samenleving in hoge mate meertalig zijn, maar dit houdt niet in dat de eigen taal ingeruild moet worden voor een andere. Taal is politiek-maatschappelijk zeer belangrijk. Wie zijn moedertaal verliest, verliest zijn identiteit. Het opgeven van de moedertaal komt bovendien altijd neer op het opgeven van een deel van je rechten en heeft aldus een belangrijk democratisch aspect.


De huidige regeringen zijn met de problematiek van enerzijds het versterken van de talenkennis en anderzijds de positie van het Nederlands, onvoldoende begaan. Integendeel.

Zo legt het huidige onderwijsbeleid niet de klemtoon op het op peil houden van de kwaliteit van ons onderwijs, o.a. op het vlak van talenkennis, maar wel op steriele onderwerpen, als netvervaging en op het onnodig op stang jagen van de leerkrachten. Meer nog : recent is er in het ASO een kwalijke evolutie in de richting van het verdwijnen van uren taal. CD&V daarentegen wil een versterkte aandacht voor het talenonderwijs.

Anderzijds stellen we vast dat op alle beleidsniveaus de verdediging van het Nederlands erop achteruitgaat. Zo zijn er een aantal beslissingen genomen tot effectieve wijziging van de bestaande regelgeving in een zin die � minstens in de feiten � voordelige(r) effecten heeft voor de Franstaligen. Minstens even relevant zijn de beslissingen waardoor de bestaande taalwetgeving wordt omzeild, resp. �faciliteiten� de facto worden uitgebreid.

Hierna volgt een overzicht van alle kwalijke evoluties i.v.m. de Nederlandse taal en van het gepruts aan de taalwetgeving onder de paarse coalities, en dit per beleidsniveau.



1. OP HET NIVEAU VAN VLAANDEREN


1.1. Op het vlak van het taalgebruik in het hoger onderwijs

Het voorontwerp van decreet betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs (versie 18 januari 2002), doet momenteel de discussie over de taalregeling in het hoger onderwijs opnieuw in alle hevigheid opwaaien.

Dit voorontwerp bepaalt het volgende in verband met de taalregeling :

Art. 75 � De bestuurstaal in de hogescholen en universiteiten is het Nederlands.

Art. 76- �1. De onderwijstaal in het hoger onderwijs is het Nederlands.
In de bachelor- en in de masteropleidingen kunnen evenwel volgende onderwijs- en andere studieactiviteiten in een andere taal gedoceerd woden :
1� die welke een vreemde taal tot onderwerp hebben, in deze taal;
2� die met betrekking tot opleidingsprogramma�s specifiek ten behoeve van buitenlandse studenten opgesteld;
3� opleidingsonderdelen die, met instemming van het instellingsbestuur, worden gevolgd aan een andere instelling voor hoger onderwijs;
4� opleidingsonderdelen die in beperkte gevallen en door een expliciet gemotiveerde beslissing van het instellingsbestuur in een andere taal dan het Nederlands worden gedoceerd; uit de motivering moet de meerwaarde en de functionaliteit van een andere taal voor de opleiding blijken. Voor de bacheloropleidingen mag het geheel van deze opleidingsonderdelen uitgedrukt in studiepunten per academiejaar in het modeltraject niet meer dan 20 studiepunten bedragen.
Voor het geheel van bachelor- en masteropleidingen van een instelling kan ten hoogste 20% van de opleidingen in het geheel in een andere taal worden aangeboden.

�2. De studenten hebben het recht over een in een vreemde taal gevolgd opleidingsonderdeel van een aan een Nederlandstalige instelling gevolgde opleiding examen in het Nederlands af te leggen, met uitzondering van de onderwijsactiviteiten bedoeld in �1, 1� en 3�.

�3. In afwijking van �1 bepaalt het instellingsbestuur vrij de onderwijstaal in de bacheloropleidingen waarvoor de inschrijving alleen openstaat voor personen die reeds in het bezit zijn van een graad van bachelor, de masteropleidingen waarvoor de inschrijving alleen openstaat voor personen die reeds in het bezit zijn van een graad van master, in de opleidingen die leiden tot de graad van master in advanced studies en in de onderwijs- en andere studieactiviteiten die als nascholing of bijscholing worden georganiseerd.

�4. Het instellingsbestuur stelt terzake een gedragscode op na raadpleging van de studenten en legt deze vast in het onderwijs- en examenreglement.


Op initiatief van Vlaams Volksvertegenwoordiger Gilbert Vanleenhove heeft de CD&V-fractie volgend standpunt ten aanzien van deze tekst aangenomen.

In het licht van de groeiende globalisering en mondialisering van de arbeidsmarkt, van sociale en economische relaties waarmee afgestudeerden van vandaag worden geconfronteerd, acht CD&V het bevorderen van meertaligheid bij hoger onderwijsstudenten uiterst belangrijk. Internationale studentenmobiliteit en mogelijkheden tot internationale ervaringen tijdens het studiecurriculum zijn daarom erg belangrijk en moeten sterk worden aangemoedigd en financieel haalbaar gemaakt. In ruimere mate en in meer studierichtingen dan vandaag moet onderricht van vreemde talen een plaats krijgen in de reguliere studiecurricula.

CD&V verwerpt echter uitdrukkelijk dat naar Nederlands voorbeeld onze moedertaal als onderwijstaal meer en meer op de achtergrond zou verdwijnen ten voordele van het Engels of een andere vreemde taal. Het voorontwerp van decreet �betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen�, zet nochtans een poort daartoe open. De bepaling dat voor het geheel van de op-leidingsonderdelen van een baccalaureaatopleiding, na expliciet gemoti-veer-de beslissing van het instellingsbestuur, voor hoogstens 20 studiepunten per academiejaar in een vreemde taal mag worden gedoceerd, laat toe dat dit doceren in een vreemde taal in alle baccalaureaatopleidingen zonder onderscheid gebeurt. De verdere bepaling dat voor het geheel van baccalaureaat- en meesteropleidingen van een instelling ten hoogste 20% van de opleidingen in het geheel in een andere taal aangeboden kan worden, maakt het mogelijk dat nagenoeg volledige meesteropleidingen in ��nzelfde instelling in een vreemde taal onderwezen worden. Om deze redenen verzet CD&V zich tegen de genoemde bepalingen in het voorontwerp van decreet.

Omwille van de democratisering van het hoger onderwijs en vanuit de sociale bekommernis tot het scheppen van gelijke kansen voor alle studerende jongeren, alsook omwille van de vrijwaring van blijvende ontwikkelingskansen van het Nederlands als cultuur- en wetenschapstaal, wenst CD&V evenwel dat basisopleidingen aan hogescholen en universiteiten principieel ��ntalig in het Nederlands worden gedoceerd en ge�xamineerd.

Uitzonderingen op dit principe moeten uiterst restrictief bepaald worden.

Behalve in de gevallen hieronder opgesomd zijn anderstalige onderwijs- en studieactiviteiten in baccalaureaatopleidingen uitgesloten. Ter ondersteuning van bepaalde opleidingsonderdelen kunnen in baccalaureaatopleidingen wel sporadisch gastcolleges door anderstalige gastprofessoren verzorgd worden. De concrete inhoud ervan, indien die verder niet in het Nederlands aangebracht of gedoceerd werd, kan echter nooit tot de leerstof van een examen behoren.

In meesteropleidingen moeten anderstalige onderwijs- en studieactiviteiten beperkt blijven tot 20% van het programma per opleiding en per studiejaar. In elk geval moet de student het recht behouden om in het Nederlands examen af te leggen.

Zowel in baccalaureaat- als in meesteropleidingen moeten onderwijs- en studieactiviteiten in een vreemde taal mogelijk zijn wanneer deze opleidingen die vreemde taal tot onderwerp hebben, wanneer zij specifiek ten behoeve van buitenlandse studenten werden opgesteld, of wanneer zij met instemming van het instellingsbestuur gevolgd worden aan een anderstalige instelling voor hoger onderwijs.

Het instellingsbestuur moet ten slotte vrij de onderwijstaal kunnen bepalen voor opleidingen die leiden tot de graad van meester in advanced studies en in de onderwijs- en andere studieactiviteiten die als nascholing of bijscholing worden georganiseerd.


1.2. Op het vlak van het taalgebruik in de Vlaamse Rand rond Brussel


Nefaste gevolgen van het Lambermontakkoord

Vooreerst dient opgemerkt te worden dat ook voor de Vlaamse Rand het Lambermontakkoord een slecht akkoord is. Voor het eerst stapten de Vlaamse onderhandelaars af van de federale logica dat de waarborgen van de Brusselse Vlamingen gekoppeld zijn aan die van de Franstaligen op federaal niveau. Voortaan is de positie van de Brusselse Vlamingen ook nog eens gekoppeld aan de positie van de Franstaligen in de Vlaamse Rand.

Onaanvaardbaar is dat in tegenstelling tot de Vlamingen in Brussel, de Franstaligen in de Rand wel degelijk bijkomende garanties hebben kunnen afdwingen. Niet alleen is in een bijzonder toezichtsysteem voorzien voor de Franstalige burgemeesters wanneer zij tuchtrechtelijk worden gesanctioneerd door de Vlaamse overheid (inschakeling van de verenigde kamers van de Raad van State of van het Arbitragehof), bovendien zullen deze burgemeesters, van zodra Vlaanderen opteert voor de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester, kunnen genieten van het onweerlegbaar vermoeden van kennis van de Nederlandse taal. Dit plaatst Vlaanderen terug in de periode van voor 1988 met de problemen rond het burgemeesterschap van Happart!


De omzendbrieven Peeters-Martens

De schending van de omzendbrieven wordt vastgesteld in de gemeenten Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem.

Niettegenstaande stoere verklaringen en ultimatums wordt door de Vlaamse regering tegen deze schendingen maar zeer traag opgetreden. In dat verband dient verwezen te worden naar het dossier van de onwettig ge�nde milieu-belasting in de faciliteitengemeente Wezembeek-Oppem. Niettegen-staan-de het verstrijken van de termijn (op 15 januari) die de gemeente-ontvanger van Wezembeek-Oppem van de gouverneur van Vlaams-Brabant had gekregen om de milieubelasting over 1998 terug te storten aan de inwoners zo niet zou er een regeringscommissaris gestuurd worden, is er geen vooruitgang ter herstel van de wettigheid (zie antwoord van Minister Van Grembergen op een vraag van Vlaams Volksvertegenwoordiger Eric Van Rompuy in het Vlaams Parlement op 23 januari 2002). De federale minister van Binnenlandse Zaken (nog tot 31 december 2006 bevoegd i.v.m. een tuchtprocedure) is niet van plan sancties te treffen tegen de burgemeester van Wezembeek-Oppem (zie antwoord op vraag van Volksvertegenwoordiger Paul Tant in de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 17 januari 2002) en heeft in dat verband nog geen dossier gekregen (aldus zijn antwoord in de Kamercommissie op 30 januari ll).

Er dient aan herinnerd te worden dat VLD-voorzitter De Gucht vorig jaar de omzendbrieven een �pesterij� heeft genoemd en �het veel hoffelijker zou vinden als de omzendbrief-Peeters versoepeld werd� (zie De Standaard 7 mei 2001).

CD&V houdt onverminderd vast aan de toepassing van de omzendbrieven Peeters-Martens. Zolang de Raad van State geen uitspraak heeft gedaan over de schending door de omzendbrieven van de taalwetgeving moeten zij onverkort en correct worden toegepast en gehandhaafd. Bovendien is CD&V van mening dat er goede, juridisch-technische argumenten zijn voor de bestaanbaarheid van de omzendbrieven met de taalwetgeving. Vooreerst heeft het Arbitragehof het principe van de taalhomogeniteit van de eentalige taalgebieden en de daaruit voortvloeiende voorrang van de taal van het gebied, ook in de zogenaamde faciliteitengemeenten expliciet bevestigd. De faciliteiten voor de bestuurden zijn een restrictief te interpreteren uitzondering op de voorrang van de taal van het gebied. Bovendien schrijft de taalwet niets voor met betrekking tot de wijze waarop de bestuurden, inwoners van de faciliteitengemeenten gebruik kunnen maken van de faciliteiten waarin de taalwet voorziet. Een subsidiaire normstelling die elke � in casu, noodzakelijke � interpretatie impliceert, houdt nog geen wijziging van de taalwet als dusdanig in en vereist bijgevolg niet de grondwettelijk voorgeschreven bijzondere meerderheid. Bovendien doen deze omzendbrieven niet meer dan een feitelijk gegroeide interpretatie rechtzetten, die fundamenteel in strijd is met de letter en de geest van de wet omdat zij een talentelling impliceert - eens Franstalig, altijd Franstalig en registratie van wie documenten automatisch in het Frans wenst te ontvangen � of minstens mogelijk maakt.


De Kaderconventie van de Raad van Europa inzake de bescherming van de nationale minderheden

Op 31 juli 2001 ondertekende minister Michel namens Belgi� en alle componenten van de federale staat de Kaderconventie. Dit gebeurde onder het voorbehoud dat de toepassing van de Conventie geen afbreuk doet aan de grondwettelijke bepalingen en beginselen, en evenmin aan de wettelijke normen die op het ogenblik het taalgebruik regelen. Omdat de Conventie zelf geen definitie van het begrip �minderheid� bevat, zal de Interministeri�le Conferentie voor Buitenlands Beleid een bruikbare definitie uitwerken.

Deze benadering houdt eigenlijk een �blanco cheque� in i.v.m. de invulling van het begrip �minderheid�. Deze benadering verschilt aldus wezenlijk van deze van de vorige Vlaamse regering die op 23 juli 1997 uitdrukkelijk stelde dat bij de ondertekeningsakte een reserve of interpretatieve verklaring moet worden gevoegd, luidend als volgt: �Rekening houdend met het institutionele machtsevenwicht binnen de federale overheid en met het grondwettelijk kader inzake taalwetgeving kunnen de Nederlandstaligen en de Franstaligen in Belgi�, noch op het gehele grondgebied van het koninkrijk noch op een deel ervan, worden geschouwd als een nationale minderheid in de zin van deze kaderconventie over de bescherming van de nationale minderheden�.

Verschillende verklaringen van de laatste dagen � onder andere van federaal Vice-Premier Vande Lanotte volgens dewelke �op Vlaams niveau men niet meer 100 procent mensen vindt om te zeggen dat er geen minderheden zijn in Belgi� � wijzen er op dat dit dossier terug in stroomversnelling is geraakt, zij het in een totaal verkeerde richting! Uit verklaringen van Moureaux en Milquet blijkt dat de Franstaligen ongeduldig worden over het uitblijven van verdere actie in dit dossier, zijnde een afbetaling in het kader van de Lambermont-onderhandelingen. De ratificatie van de Kaderconventie was hun beloofd, aldus Milquet in een persmededeling van 25 januari ll.

Op zaterdag 19 januari ll. had er in de Senaat een informeel overleg plaats over de toepassing van het Kaderverdrag in Belgi�. Onder de aanwezigen waren naast de voorzitter van de Raad van Europa, experts van de Commissie van Veneti�, de federale vice-premiers Michel en Vande Lanotte, de federale parlementsleden Jean-Pol Henry en Stef Goris en vertegenwoordigers van de gewest- en gemeenschapsregeringen. Voor Vlaanderen was Minister Van Grembergen aanwezig. Tijdens die bijeenkomst bleek dat volgens de experts van de Commissie van Veneti� er in Belgi� slechts ��n nationale minderheid is, namelijk de Duitstalige. Minister Michel heeft op die vergadering de vraag geopperd of, rekening houdende met de steeds verdere defederalisering van Belgi� met de daaruit voortvloeiende exclusieve bevoegdheden voor de deelstaten, het probleem van de nationale minderheden niet zozeer op het niveau van Belgi� dan wel op dat van de deelstaten, de provincies of zelfs de lokale entiteiten moet worden bekeken.

Een dergelijke benadering is voor CD&V onaanvaardbaar en volledig in strijd met de opvatting van de Vlaamse regering van 23 juli 1997 � opvatting die meermaals ondersteund werd door het Vlaams Parlement � dat rekening houdende met het institutionele machtsevenwicht binnen de federale overheid en met het grondwettelijk kader inzake taalwetgeving de Nederlandstaligen en de Franstaligen in Belgi�, noch op het gehele grondgebeid van het koninkrijk noch op een deel ervan, kunnen worden beschouwd als een nationale minderheid.

Op vragen daaromtrent van Vlaams Volksvertegenwoordiger Luc Van den Brande heeft minister Van Grembergen op 23 januari ll. in het Vlaams Parlement toegegeven dat minister Michel inderdaad gevraagd heeft naar verder onderzoek naar de institutionele en constitutionele oplossingen die Belgi� heeft gegeven aan het samenleven van de twee gemeenschappen. Van Grembergen heeft gesteld dat deze vraag moet behandeld worden op het Interministerieel Comit� Buitenlands Beleid.

Het is dus uitkijken naar de eerstvolgende vergadering van het Interministerieel Comit� Buitenlands Beleid om te zien hoe dit dossier zich verder ontwikkelt. Want er is duidelijk een Franstalig offensief aan de gang : deze prijs voor Lambermont zal op de een of andere manier moeten betaald worden.

Het is duidelijk dat dit dossier ontzettend belangrijk is en serieuze gevolgen kan hebben voor de faciliteitenregeling. In dat verband dient verwezen te worden naar Prof. Alen die de vraag stelt naar de directe werking van de bepalingen van de Kaderconventie. Maar die daaraan onmiddellijk toevoegt : maar omwille van de onvoorspelbaarheid op dit vlak zullen de Nederlandstalingen op hun hoede moeten zijn, des te meer omdat sommige bepalingen van het Kaderverdrag haaks staan op het territorialiteitsbeginsel.

Er bestaat inderdaad een consensus tussen experten dat sommige bepalingen van de Conventie tegenstrijdig zijn met de Belgische taalwetgeving. Andere bepalingen zouden dan weer kunnen ingeroepen worden om het debat opnieuw te lanceren over de toegang tot de media, het culturele aanbod en het onderwijsaanbod voor die zgn. minderheden. Er is geen twijfel mogelijk : de Franstaligen zullen de ratificatie van deze Conventie aangrijpen om nieuwe rechten af te dwingen op een aantal vlakken zoals onderwijs, media en cultuur.


De pedagogische inspectie in de Franstalige faciliteitenscholen

Het voorbije schooljaar besteedde de Vlaamse Gemeenschap ongeveer 9,3 miljoen euro aan het Franstalig faciliteitenonderwijs. De pedagogische inspectie ten aanzien van die scholen blijft voor problemen zorgen. Het gaat hierbij ondermeer om het inhoudelijk toezicht op het leerplan, het onderwijspeil, enz. Minister Vanderpoorten laat de problemen aanslepen : Vlaanderen is nog steeds niet bevoegd voor de pedagogische inspectie, zoals nochtans unaniem gevraagd in een motie van het Vlaams Parlement van 23 mei 1996.

Door het akkoord Dubois-Vermeylen van juni 1970 werd overeengekomen dat de pedagogische inspectie van de Franstalige scholen gelegen in het Nederlands taalgebied wordt behartigd door de inspectieleden van de Franse taalrol en omgekeerd. Het protocol van 24 mei 1973, gesloten tussen de toenmalige ministers Toussaint en Calewaert, stelt dat het beheer van de Franstalige gesubsideerde scholen in Vlaanderen uitsluitend ressorteert onder de bevoegd-heid van de Nederlandstalige minister, en dat de pedagogische inspectie wordt verzekerd door het Franstalige departement dat verslagen opmaakt met een vertaling voor de Nederlandse administratie. Deze verslagen ontbreken momenteel. De administratie Onderwijs beschikt nog altijd niet over de pedagogische inspectieverslagen van de Franse Gemeenschap in de faciliteiten-scholen.

De onderhandelingen over een nieuw protocol tussen de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap, aangevat door de toenmalige minister van onderwijs Luc Van den Bossche blijven maar aanslepen. De huidige minister van onderwijs hanteert bij deze onderhandelingen een zeer minimalistisch stand-punt: ze aanvaardt met name dat de Franstalige faciliteitenscholen de eindtermen van de Franse Gemeenschap gebruiken; behalve voor het Nederlands mag de inspectie door de Franse Gemeenschap gebeuren. Dat is een belangrijke stap achteruit t.a.v. de vorige ministers van onderwijs die er van uitgingen dat de pedagogische inspectie van de Franstalige faciliteitenscholen integraal door de Vlaamse Gemeenschap moet gebeuren. De Vlaamse eindtermen moeten er gelden, met uitzondering van de lessen Nederlands.

Op 29 maart 2000 keurden de meerderheidsfracties in het Vlaams Parlement een zeer makke motie goed waarin zij de Vlaamse regering nogmaals vroegen om de bevoegdheid van de Vlaamse onderwijsinspectie in het faciliteiten-onderwijs te regelen. Na twee jaar is er nog steeds geen resultaat.

Daarom heeft Vlaams Volksvertegenwoordiger Brigitte Grouwels het initiatief genomen om samen met de meerderheidsfracties via een nieuwe motie een duidelijker signaal te geven. Op 30 januari ll. werd deze motie door het Vlaams Parlement goedgekeurd. Daarin wordt niet alleen gevraagd om verder vast te houden aan de bevoegdheid van de Vlaamse onderwijsinspectie, maar ook een inventaris op te maken van de wijze waarop zowel de Vlaamse als de Franse Gemeenschap hun verplichtingen inzake het faciliteitenonderwijs nakomen of niet nakomen. Als blijkt dat de Franse Gemeenschap hier niet wil op ingaan, dan vraagt het Vlaams Parlement om af te stappen van de protocollen �n van de subsidi�ring van het faciliteitenonderwijs.


Halverwege de legislatuur nog steeds geen actieplan van de Vlaamse regering voor de Vlaamse Rand rond Brussel

Het Actieplan van de vorige Vlaamse regering � goedgekeurd op 26 juni 1996 � had tot doel de problemen in gemeenten met een bijzonder taalstatuut, de faciliteitengemeenten, en de problemen in Vlaams-Brabantse gemeenten met een relevante anderstalige minderheid geco�rdineerd en gestructureerd aan te pakken en daarbij werd rekening gehouden met de diversiteit van de Vlaamse Rand.

Onder deze nieuwe regering moest alles anders worden, dus ook een ander Actieplan voor de Vlaamse Rand! Halverwege de legislatuur is dat nieuw Actieplan er nog steeds niet! De bevoegde minister Anciaux heeft op 10 januari ll. wel een �eerste worp� van wat een Actieplan zou kunnen worden, aan de Commissieleden overgemaakt. Hij hoopt voor het parlementair reces een meer voldragen actieplan op de ministerraad van de Vlaamse regering te kunnen brengen, om dan na het reces een soort colloquium of bevraging daarover te organiseren.

Ondertussen blijven effici�nte en concrete maatregelen uit om enerzijds het Nederlandstalig karakter van de Rand te versterken en anderzijds een open onthaal te voeren dat gericht is op de integratie van anderstaligen.

We hebben het hier in het bijzonder over :

Het ontbreken van een actieve huisvestingspolitiek en grondpolitiek. Sinds het aantreden van de regering-Dewael zijn er al vier ministers van Huisvesting aangetreden: Anciaux, Sauwens, Van Grembergen, Gabri�ls. Gevolg: geen sterke acties, geen strategie t.a.v. de specifieke problemen i.v.m. de woonmarkt in de Rand. Nochtans zal men slechts kunnen komen tot een versterking van het Vlaams karakter van de Rand, als de Vlamingen er kunnen wonen of komen wonen.

Het onvoldoende aanbod van cursussen Nederlands als Tweede Taal. Inzonderheid voor laaggeschoolde anderstaligen is het aanbod absoluut ontoereikend.

De studie �Vernederlandsing van het straatbeeld en verfijning van de bestuurstaalwetgeving� van professor dr. Marc Boes ( in 1999 door de provincie Vlaams-Brabant besteld en in de loop van mei 2000 bezorgd aan de Vlaamse regering) krijgt geen concrete opvolging.

Nog steeds geen structurele maatregelen voor Ring TV. Op 28 maart 2001 heeft het Vlaams Parlement unaniem een voorstel van resolutie aangenomen betreffende maatregelen voor het levensvatbaar houden van Ring TV. Omwille van het uitblijven van die maatregelen heeft de CD&V-fractie n.a.v. de begrotingsbesprekingen voor 2002 bij wege van amendement een verhoging van de kredieten voorgesteld voor het programma Vlaamse Rand, die moesten aangewend worden voor Ring TV. Dit amendement werd weggestemd door de meerderheidsfracties.


2. OP HET NIVEAU VAN BRUSSEL


2.1. De versoepeling van de taalaanhorigheidscriteria voor Brusselse lokale mandatarissen door het Lombard-akkoord

Voor de Brusselse lokale besturen gelden een aantal specifieke bepalingen inzake de vertegenwoordiging van de twee taalgroepen:

 Als een Brusselse OCMW-raad geen enkel lid van ��n van de twee taalgroepen telt, dan maakt het eerste niet verkozen gemeenteraadslid dat behoort tot de niet-vertegenwoordigde taalgroep van rechtswege deel uit van de OCMW-raad (art. 6, �4, van de organieke OCMW-wet);
 In de Brusselse gemeenten kan men, om de aanwezigheid van beide taalgroepen in het schepencollege te verzekeren, een bijkomende schepen verkiezen (art. 279, �1, van de nieuwe gemeentewet);
 In de Brusselse gemeenten waar een gemeenteraadslid van een taalgroep de voordracht van de burgemeester mee ondertekend heeft, is het wettelijk verplicht om ook een schepen of OCMW-voorzitter van die taalgroep te verkiezen (art. 279, �2, van de nieuwe gemeentewet);
 In de Brusselse gemeenten waar een taalgroep niet vertegenwoordigd is in de gemeenteraad kan het eerst gerangschikte OCMW-raadslid van die taalgroep alle akten en stukken inkijken zoals een gemeenteraadslid (art. 280 van de nieuwe gemeentewet);
 De Brusselse politieraden dienen een gewaarborgd aantal leden van de Nederlandse taalgroep te bevatten (art. 22bis van de wet tot organisatie van een ge�ntegreerde politiedienst).

Deze waarborgen voor de aanwezigheid van beide taalgroepen in een aantal lokale organen, maakt het noodzakelijk om de taalaanhorigheid van de leden van deze organen vast te stellen. In alle bovenvermelde gevallen wordt voor de vaststelling van de taalaanhorigheid van een kandidaat of mandataris verwezen naar art. 23bis van de gemeentekieswet. Dit bepaalt dat in de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in de voordrachten melding kan worden gemaakt van de taalaanhorigheid van de kandidaten.

Deze bepaling is in de praktijk niet waterdicht gebleken. Het afleggen van een taalaanhorigheidsverklaring bij de kandidaatstelling is immers niet verplicht. In de praktijk kan trouwens vastgesteld worden dat zeer veel (waarschijnlijk de grote meerderheid) van de kandidaten voor de gemeenteraadsverkiezingen dit dan ook niet doen.

De praktijk wijst ook uit dat dit (bijna onvermijdelijk) betwistingen tot gevolg heeft. Wat betreft de huidige legislatuur kan verwezen worden naar Brussel-stad en St. Joost-ten-Node. In beide gevallen werd geen Nederlandstalig OCMW- raadslid rechtstreeks verkozen. In beide gevallen stelde de OCMW-voorzitter (beiden PS) dat er geen bijkomend Nederlandstalig OCMW-raadslid nodig was, vermits geen enkele van de verkozen OCMW-raadsleden een taalaan-horig-heids-verklaring hadden afgelegd en dus niet kon vastgesteld worden dat ��n van beide taalgroepen niet vertegenwoordigd was. De facto maakte men hier dus van een hiaat in de wetgeving gebruik om de waarborgen inzake de vertegenwoordiging van beide taalgroepen te omzeilen.

St. Joost-ten-Node volhardt in deze houding. In Brussel-stad aanvaardde men uiteindelijk de noodzaak van een bijkomend Nederlandstalig OCMW-raadslid. Maar dit resulteerde dan weer in een controverse over wie de eerste niet-verkozen Nederlandstalige kandidaat voor de gemeenteraad was. Verschillende Nederlandstalige kandidaten hadden immers geen taalaanhorigheidsverklaring ingediend. Er werd uiteindelijk een oplossing geforceerd, eerder op basis van de krachtsverhoudingen binnen de meerderheid dan op basis van de wet.

De oplossing ligt voor de hand. Het volstaat om in art. 23bis, �1, van de gemeentekieswet het woord �kan� te vervangen door �moet�. Dit zou impliceren dat elke kandidaat bij zijn/haar voordracht een taalaanhorigheidsverklaring moet afleggen. Daardoor zou de samenstelling van de taalgroepen in de Brusselse lokale besturen ��nduidig vastgelegd worden en zou een correcte toepassing van de wet vergemakkelijkt worden. Het zou ook eerlijker en duidelijker zijn t.a.v. de kiezer. Een dergelijk voorstel werd tijdens de Lombard-besprekingen geformuleerd door CD&V, maar niet weerhouden door de paarse meerderheid die het Lombard-akkoord ondertekende.

In plaats van het bestaande hiaat te dichten, besloten de Lombard-onderhandelaars het te vergroten. In art. 279 van de nieuwe gemeentewet werd een bepaling ingeschreven waardoor de taalaanhorigheidsverklaring niet alleen kan worden gedaan in de akte van voordracht voor de gemeenteraads-ver-kie-zingen, maar eveneens in de akte van voordracht voor de OCMW-raads-verkiezingen, in de akte van voordracht van elke schepen, en in de vergadering van de OCMW-raad die de voorzitter verkiest. Er wordt ook voorzien in een overgangsregeling tot aan de indiening van de voordracht voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2006, waardoor de gemeenteraadsleden ook na hun verkiezing nog een taalaanhorigheidsverklaring kunnen afleggen. Tenslotte wordt ook voorzien dat niemand tezelfdertijd twee verschillende taal-aan-horigheids-verklaringen kan afleggen. In principe telt de eerste. Tot de voordracht voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 telt echter de laatste.

Het is duidelijk dat deze bepalingen de deur verder openzetten om kandidaten voor diverse lokale mandaten toe te laten de �gepaste� taalaan-horigheidsverklaring af te leggen op het tijdstip dat zij vaststellen dat het hen goed uitkomt. Bovendien laat de overgangsregeling tot 2006 toe dat zelfs een Franstalige lokale mandataris die reeds een ��nduidige en geldige Franstalige taalaanhorigheidsverklaring heeft afgelegd alsnog van taalrol verandert om zo een voor de Vlamingen gewaarborgd mandaat op te eisen.

In Vorst probeerde men dit systeem reeds te gebruiken om een zittende Franstalige schepen om te toveren in een �Vlaamse schepen� (of Flamand de service, zoals hij het zelf uitdrukte). Enkel een dreigement met een crisis in de Brusselse Hoofdstedelijke Regering kon een einde stellen aan deze farce.

In St. Gillis speelde men het spel subtieler. Daar werd een niet-verkozen PRL-kandidate alsnog de gemeenteraad binnen geloodst, waar zij prompt, met behulp van de Brusselse VLD, haar Nederlandstalige identiteit �ontdekte�. Dat opende voor haar de weg om Vlaamse schepen te worden.

Op slechts enkele maanden tijd is dus al bewezen dat het Lombard-akkoord de deur heeft open gezet voor taalaanhorigheidsverklaringen pour les besoins de la cause en dat de enige manier om al te flagrante misbruiken hiervan tegen te gaan, erin bestaat om op gewestelijk vlak met een communautaire crisis te dreigen. Dat zijn dus de zgn. Vlaamse waarborgen en de communautaire pacificatie van het Lombard-akkoord.


2.2. De federale regering zaait verwarring rond het Brusselse taalhoffelijk-heids-akkoord

Het taalhoffelijkheidsakkoord werd eind 1996 afgesloten binnen de Brusselse Hoofdstedelijke Regering en is sinds 1997 van toepassing via twee omzendbrieven (een voor de 19 Brusselse gemeenten en een voor de 19 Brusselse OCMW�s). Dit akkoord was een doorbraak omdat het vanwege de Franstaligen de erkenning inhield dat de wettelijke tweetaligheidsvereiste van toepassing is op de contractuele personeelsleden van de Brusselse gemeenten en OCMW�s. Sindsdien kunnen contractuelen die niet over een tweetaligheids-brevet beschikken slechts voor een periode van twee jaar aangeworven worden. Binnen die periode moeten ze het vereiste taalbrevet halen. Aanwervingen die hier geen rekening mee houden worden sinds 1998 niet alleen geschorst door de Vice-Gouverneur, maar indien nodig ook vernietigd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering.

Het taalhoffelijkheidsakkoord werd ook verbonden aan de verdere functiona-lisering van de taalexamens van de federale selectiedienst Selor (vroeger VWS). De ene keer verklaart Minister Luc Van den Bossche in het federale parlement dat de taalexamens voortdurend ge�valueerd en aangepast worden en dat ze dus zeer functioneel zijn. Een andere keer antwoordt hij dat er een nieuwe evaluatie en doorlichting nodig is. Dat sleept zo nu al aan sinds 2000, zonder dat de federale regering aan de Brusselse regering een duidelijk signaal geeft of de Selor-taalexamens nu wel of niet functioneel aangepast zijn.

Op deze wijze ontvlucht de federale regering haar verantwoordelijkheid en biedt zij de Brusselse Franstaligen een uitvlucht om de uitvoering van het taal-hoffelijkheids-akkoord steeds weer in vraag te stellen.





3. OP HET BELGISCHE NIVEAU


3.1. Taalwetgeving in bestuurszaken

De invoering van de Copernicushervorming van de federale administratie zou ook een radicale modernisering van de taalwetgeving vereisen. Men zou kunnen veronderstellen dat een dergelijke hervorming en modernisering gaat in een verscherping van de taalkennis van op zijn minst de hogere en hoogste ambtenaren. Zij krijgen immers een marktconforme verloning. Daartegenover mogen taal � en bekwaamheidsvereisten staan die de toets met de priv� moeten (kunnen) doorstaan. Een grondige kennis van minstens twee en bij voorkeur alle landstalen, aangevuld met een voldoende kennis van de managementtaal bij uitstek, het Engels zou de evidentie zelve moeten zijn. N.a.v. de bespreking van het wetsontwerp dat de principes van de Copernicushervorming beoogt te verwerken in de geco�rdineerde wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken, werd door Volksvertegenwoordigers Paul Tant en Servais Verherstraeten, inzonderheid op het volgende gewezen :


A. inschrijving van een functionele kennis van de tweede taal

Om de taaladjuncten die de voordien eentalige topambtenaren bijstonden te kunnen afschaffen is de notie van de functionele tweetaligheid ingevoerd. Voortaan moeten alle topambtenaren het bewijs leveren, binnen een bepaalde periode na hun aanstelling van een �functionele tweetaligheid�. De kans is meer dan groot dat deze �op het eerste gezicht � verstrakking van de vereiste van kennis van de tweede taal voor topambtenaren, zal leiden tot een substanti�le verlaging van de voorwaarden om als tweetalig te worden aangemerkt. De functionele tweetaligheid dreigt de norm te worden!

De beperking van het vereiste kennisniveau tot �functionele tweetaligheid� om als tweetalige te kunnen worden aangemerkt gaat niet ver genoeg. Het ontneemt aan het begrip �tweetaligheid� elke wezenlijke inhoud. Het is niet volledig uit te sluiten dat de verlaging van de �lat van de tweetaligheid� vooral tot doel heeft om te voorkomen dat hoofdzakelijk Franstaligen geen toegang hebben tot de topfuncties omwille van de taalvoorwaarden. Niettegenstaande dit voor het behoorlijk functioneren binnen de administratie van een tweetalig land logisch zou moeten zijn, slaagt de regering er blijkbaar niet in een voor de hand liggend niveau aan tweetaligheid op te leggen voor alle topambtenaren.

Minstens even verwerpelijk is dat deze �versoepeling� van de �tweetaligheid� belangrijke en onherstelbare repercussies heeft voor Brussel. Ook daar zal � in het nadeel van de Nederlandstaligen - snel genoegen worden genomen met een sterk afgezwakte tweetaligheid.

Het is duidelijk dat de paarse meerderheid niet heeft nagedacht over de verdere repercussies van de sowieso � ook in het raam van de toenemende internationalisering � foute opties bij de wijziging van de taalwetgeving.


B. Tijdstip en wijze beoordeling �functionele tweetaligheid�.

De veel te lakse invulling van de taaleisen die aan de topambtenaren wordt gesteld, wordt bovendien nog verder afgezwakt door de wijze waarop die taalkennis wordt beoordeeld en gebruikt. Zo is de functionele tweetaligheid geen noodzakelijke toelatingsvoorwaarde die wordt getoetst alvorens een kandidaat kan worden aangesteld voor een managementfunctie. Het volstaat dat de kandidaat �uiterlijk zes maanden na zijn aanstelling�, het bewijs levert van deze functionele kennis van de tweede taal. Het is maar zeer de vraag of dat niet veel te laat is om een onvoldoende �functionele� kennis van die tweede taal nog daadwerkelijk te sanctioneren en op grond daarvan het mandaat voortijdig te be�indigen. Welke examinator zal op grond daarvan een topambtenaar wandelen sturen. Het is een handig instrument om een feitelijke situatie van onvoldoende taalkennis te bestendigen.


C. Inschrijving van de mogelijkheid om beroep te doen op vertalers voor het opstellen van elk document m.b.t. de evaluatie van een ambtenaar.

Deze regel bevestigt meteen dat de voorgeschreven �functionele tweetaligheid� zelfs onvoldoende is voor ��n van de zeer belangrijke taken van de topambtenaren: de evaluatie van de medewerkers. Meteen is ook duidelijk dat men de �last� van het gebrek aan politieke moed om die effectieve en grondige tweetaligheid te eisen, verplaatst naar de te evalueren medewerkers. Zij zullen moeten controleren of alle vertalingen correct zijn, zodat zij op grond van de juiste, juist weergegeven en vertaalde informatie werden beoordeeld en ge�valueerd. Dit is meer dan een stap achteruit.


D. De toewijzing van alle betrekkingen van voorzitter van het directiecomit� in gelijke percentages aan het Nederlandse en Franse taalkader.

De verdeling tussen de twee taalkaders van de �topambtenaren� of titularissen van een managementfunctie moet worden beoordeeld binnen eenzelfde ministerie of Federale overheidsdienst. Er is geen enkele objectief te verant-woorden reden om de 50/50 verdeelsleutel te gaan toepassen op het geheel van de managementfuncties over de verschillende Federale overheids-diensten heen.

Tenzij dan de actueel voor de Nederlandstaligen gunstige verdeling van het totaal aantal secretarissen-generaal tenietdoen. Dit feitelijke overwicht aan Nederlandstalige topambtenaren is nochtans verklaarbaar en te verantwoorden gelet op de taalverhoudingen in Belgi�. Na een paritaire ministerraad, ook een paritaire top van de administratie!

Nog erger is dat deze wijziging problemen kan en zal opleveren vanuit het oogpunt van het gelijkheidsbeginsel bij de werving voor managementfuncties. De beste gerangschikte kandidaat zal eventueel niet kunnen worden benoemd, om redenen die niets te maken hebben met de taalverhoudingen binnen de FOD waarvoor hij heeft gekandideerd, doch alles met de geldende taal-verhou-dingen over het geheel van de FOD�s.

Zo schendt de paarse meerderheid een uitgangspunt waarover de mening van nagenoeg alle Belgen is gevraagd naar aanleiding van de Copernicusbevraging: zo zal niet langer voor de meest bekwame of beste kunnen worden gekozen, wanneer die toevallig niet de juiste (basis)taalaanhorigheid.


3.2. Taalwetgeving in gerechtszaken

Het voorontwerp van wet �goedgekeurd door de ministerraad van 22 juni 2001-tot vervanging van een bepaling van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken strekt ertoe het taalexamen aan te passen. Officieel luidt het dat het taalexamen moet worden aangepast �zodat het beter beantwoordt aan de behoeften van de uit te voeren functie�. Erkend wordt dat de lat merkelijk wordt verlaagd om �de kritieke toestand inzake het parket en de rechtbanken van eerste aanleg te Brussel snel te verhelpen�.

Voortaan zal voor een aantal belangrijke functies de �vereiste taalkennis in redelijkheid worden aangepast aan de vereisten van de betrokken functie�. De facto komt het erop neer dat magistraten in meeste gevallen enkel actieve en passieve mondelinge kennis van de andere taal alsook een passieve schriftelijke kennis van die taal moeten hebben.

Opnieuw is het gelet op de motivering en opzet van de wetswijziging duidelijk dat men het vooral die rechters die hun diploma in het Frans hebben gehaald makkelijker wil maken om het bewijs te kunnen leveren van (een beperktere) kennis van de andere taal, het Nederlands.


3.3. Verdubbeling van het aantal �toegevoegde rechters� en substituut-procureurs des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg en het parket voor het � nog steeds niet gesplitste � rechtsgebied van het Hof van Beroep van Brussel. Afwezigheid van maatregelen om de grote achterstand in de Nederlandstalige dossiers bij het Hof van Cassatie weg te werken.

Begin november 2001 werd door Minister Verwilghen een wetsontwerp ingediend dat tot doel heeft de gerechtelijke achterstand bij het parket en bij de rechtbank van eerste aanleg van Brussel weg te werken. Het aantal toegevoegde rechters en substituut-procureurs des Konings voor het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Brussel wordt verdubbeld, respectievelijk van 25 naar 50 en van 17 naar 34.

Dit wetsontwerp is een exacte kopie van een ontwerp dat Verwilghen vorig jaar reeds in de kamer indiende (ontwerp van 27 juli 2000 doc n� 836/001) maar dat hij noodgedwongen diende in te trekken op basis van het goedgekeurde belangenconflict in het Vlaams Parlement, dit op initiatief van Vlaams Volks-vertegen-woordiger Ludwig Caluw�.

Ook nu weer heeft het Vlaams Parlement unaniem een belangenconflict tegen dit tweede identieke ontwerp goedgekeurd .

Het belangrijkste probleem is dat Verwilghen met ontwerp het aantal toegevoegde rechters in Brussel drastisch wil verhogen. Toegevoegde rechters zijn echter niet aan een rechtbank gebonden en worden dus ook niet aangerekend op het vaste kader van een rechtbank. Zij worden tijdelijk ingezet volgens de behoeften van de dienst. Om die reden vallen de toegevoegde rechters en toegevoegde substituut-procureurs des Konings niet onder de taalwet in gerechtszaken die voorschrijft dat minstens 1/3 van de Brusselse magistraten van de rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank van koophandel en de arbeidsrechtbank een Nederlandstalig diploma moet hebben en die bepaalt dat 2/3 van alle Brusselse magistraten het bewijs moet leveren van de andere taal.

Gezien de gerechtelijke achterstand in Brussel hoofdzakelijk geldt voor de Frans-talige dossiers, betekent de aanwerving van extra toegevoegde magistraten in de praktijk dat deze ��ntalig Frans zullen zijn.

Dit zal dan ook leiden tot een onaanvaardbare verstoring van de taalverhoudingen bij de magistratuur te Brussel ten nadele van de Nederlandstaligen.

Wanneer we dan ook nog in aanmerking nemen dat de ��ntalige toegevoegde magistraten meer verdienen dan hun gewone tweetalige collega�s (een toe-gevoegde magistraat ontvangt immers een jaarlijkse premie) waardoor de motivatie om deel te nemen aan de taalexamens natuurlijk afneemt, dan kan het ook niet anders meer dan dat de regering aanstuurt op een verfransing van de rechtbanken te Brussel.

Mede in het licht van het voorgaande is het onbegrijpelijk en niet te verantwoorden dat men de achterstand van Franstalige dossiers in Brussel poogt op te lossen op een manier die de taalwetgeving in gerechtszaken omzeilt, maar geen enkele moeite doet om het probleem van de achterstand in de Neder--landstalige dossiers �niettegenstaande de Nederlandstalige kamers jaarlijks substantieel meer arresten vellen dan de Franstalige � bij het Hof van Cassatie op te lossen.

Volledigheidshalve dient nog vermeld te worden dat PS-voorzitter Di Rupo op 21 januari ll. verklaarde dat het wetsontwerp over de toegevoegde rechters zo snel mogelijk moet worden goedgekeurd omdat �dat deel uitmaakt van een algemeen compromis�.



3.4. Indeling in politiezones: de facto uitbreiding van de faciliteiten in de Vlaamse rand en de taalgrensgemeenten

Tengevolge de politiehervorming werd het grondgebied ingedeeld in 196 politiezones. In sommige zones werd daarbij een faciliteitengemeente onder-verdeeld bij andere Vlaamse gemeenten. De organisatie van de dienst vereist echter dat ten allen tijde de inwoners van de faciliteitengemeente in beide landstalen kunnen geholpen worden. Politieagenten die voorheen enkel in het Nederlands moesten functioneren moeten nu ook de Franse taal machtig zijn in het geval zij in de faciliteitengemeente worden ingezet (bijvoorbeeld tijdens wachtdiensten). De minister van Binnenlandse Zaken liet reeds weten dat bij nieuwe aanwervingen in de zones enkel tweetalige agenten kunnen aangeworven worden om aan deze noden te voldoen. De tweetaligheid van de dienst wordt op die manier uitgebreid over de hele politiezone, niettegen-staande dit in hoofdzaak zuiver ��ntalig Vlaamse gemeenten betreft.


3.5. Uitzonderlijk lange overgangsregeling betreffende het taalstatuut voor de leden van de politiediensten

Door de oprichting van de ge�ntegreerde politiediensten, gestructureerd op twee niveaus, werden ook een aantal personeelsleden overgedragen die voordien aan andere taalwetten onderworpen waren (i.c. de militairen onderworpen aan het toepassingsgebied van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger). Voor die personeelsleden die nu een ambt bekleden in een dienst waar een zekere kennis van een andere taal is vereist, wordt nu een overgangsmaatregel voorzien van ten hoogste vijf jaar naargelang het een personeelslid betreft van het operationeel dan wel van het administratief en logistiek kader.


3.6. Aanstelling van de top van de politie zonder vaststellen van taalkaders en met taalpariteit

De eerste aanstelling van de functies als commissaris-generaal, directeur-generaal, bestuurlijke directeur-co�rdinator, gerechtelijke directeur van de federale politie, korpschef van de lokale politie en inspecteur-generaal, zijn gebeurd zonder voorafgaandelijk taalkaders vast te stellen.

Bovendien wordt er taalpariteit tot stand gebracht, enerzijds, in de groep samengesteld uit de commissaris-generaal, de inspecteur-generaal, de directeurs-generaal en de adjunct-directeurs-generaal en anderzijds, in de groep van directeurs bij een algemene directie van de federale politie en bij de diensten van de commissaris-generaal en van de adjunct-inspecteurs-generaal.




4. OP HET EUROPESE NIVEAU

De taalstrijd van vandaag en morgen speelt zich ook af op het Europese niveau. De regeling van het taalgebruik in de Europese instellingen wordt meer dan ooit een belangrijke zaak in het licht van de EU uitbreiding naar Oost- en Centraal Europa en de navenante toename van het aantal te gebruiken offici�le talen en werktalen. De Vlaamse christen-democraten eisen ook na de uitbreiding het behoud van de meertaligheid omdat het een uiting is van het respect voor de culturele diversiteit en van de principi�le gelijkheid van alle talen en hun gebruikers.

Alle Europese burgers moeten zich kunnen thuis voelen in hun Europa, dat over hen zeggenschap heeft, dat ze via rechtstreekse verkiezingen legitimeren en waarvan ze geacht worden de wetten te kennen.

De realisatie van het meertaligheidsprincipe komt vandaag onder meer tot uiting in het verdragsrechtelijk gegarandeerd recht van elke burger om de Europese instellingen aan te schrijven in de offici�le taal van zijn land en ook in die taal een antwoord te krijgen. Een consequent doorgedreven gelijke taalbehandeling van de EU-burgers betekent ook een gelijke behandeling van hun afgevaardigden, want dit hangt samen met hun onderhandelingspositie en de mogelijkheid tot be�nvloeding en dus machtsuitoefening. Voor CD&V moet derhalve elk parlementslid ook in de toekomst het recht hebben actief en passief en zowel mondeling als schriftelijk in zijn parlementaire werkzaamheden zijn eigen (offici�le) taal te gebruiken.

De meertaligheid wordt vandaag de dag redelijk goed gegarandeerd en gerespecteerd, althans in de Europese instellingen.

Een verontrustende vaststelling is echter dat steeds vaker bepaalde bevoegdheden worden toegewezen aan afzonderlijke juridische entiteiten, die daartoe speciaal en los van de eigenlijke Europese instellingen worden opgericht en die een eigen taalregeling meekrijgen die de gelijkheid van de talen en hun gebruikers niet altijd respecteert. Het merkenbureau was hier een spijtig voorbeeld van. En ofschoon altijd werd gezworen dat deze beslissing geen precedentwaarde mocht hebben, is nu het omgekeerde bewaarheid. Dit ondanks het feit dat een minister in de regering zit die destijds namens zijn partij - toen in de oppositie - zwaar fulmineerde tegen de taalregeling in het Merkenbureau.

Tekeningen en modellen

Amper 48 uur voor de top van Laken - waar principes als "transparantie", "betrokkenheid van de burger" en "respect voor de culturele eigenheid" hoog in het vaandel stonden - besliste de Belgische regering om de Raadsverordening betreffende gemeenschapsmodellen, die de bescherming op een Europese leest van vormgeving en design beoogt, goed te keuren. De verordening heeft tot gevolg dat het Nederlands en negen andere talen eens te meer gediscrimineerd worden. Wat de correspondentie met en de administratieve geschillenprocedure van het bureau voor tekeningen en modellen betreft, is het Nederlands duidelijk een tweederangsbehandeling toegewezen.

Sinds november 2000 werd herhaaldelijk en vooral in de grootste discretie op Raadsniveau over het talenregime gesproken. Uit de vele taalmanoeuvres in het dossier blijkt dat de Belgische regering zich niet echt heeft ingespannen om het Nederlands te verdedigen. Omdat in de Raad bij unanimiteit beslist werd over het verordeningsvoorstel kon een discriminerend talenregime door de Belgische regering nochtans worden tegenhouden.

CD&V betreurt deze beslissing van de Belgische regering en stelt vast dat de Vlaamse regering zich terzake op generlei wijze kritisch opstelt, meer zelfs : niet op de hoogte is van dit dossier!. Nochtans werd de Vlaamse regering op 28 november 2001 tijdens het vragenuur in het Vlaams Parlement door Vlaams Volksvertegenwoordiger Luc Van den Brande gewaarschuwd voor het op handen zijnde talendebacle. Van de kant van de Vlaamse regering werd sindsdien helaas niets meer gehoord.

Gemeenschapsoctrooi

CD&V wil verder nog de aandacht trekken op een ander taalgevoelig dossier waar de positie van het Nederlands in vraag gesteld wordt, met name het op stapel staande verordenings-voorstel betreffende het Gemeenschapsoctrooi.

Tijdens de top van Laken, noch tijdens de buitengewone vergadering van de Raad interne markt van 20 december 2001 slaagden de lidstaten er in om een akkoord te bereiken over de taalaspecten van het Gemeenschapsoctrooi. De door het Belgisch Raadsvoorzitterschap naar voor geschoven compromis-voorstellen waren niet van die aard om de positie van het Nederlands in Europa veilig te stellen. Ook in dit dossier staat de Vlaamse regering blijkbaar machteloos, kan zij niet wegen op het Belgische standpunt terzake, zoals blijkt uit de antwoorden die Luc Van den Brande kreeg op vragen daaromtrent in het Vlaams Parlement.

De Vlaamse christen-democraten roepen de Belgische regering op om in dit dossier haar Nederlandsonvriendelijke houding te laten varen, respect op te brengen voor onze eigen taal, en daadwerkelijk de verdediging van het Nederlands op zich te nemen.



Ludwig Caluw�
Marianne Thyssen

11 februari 2002

[Reageren] [Persmededeling en reacties op het web nalezen]


Hermes is de gratis persmededelingendienst van Politiek.net

Deze berichten werden verstuurd naar de nieuwsredacties en de abonnees van Hermes. Meer informatie en in- en uitschrijven kan via http://www.politiek.net/hermes of via een berichtje naar [EMAIL PROTECTED].

Hermes is beschikbaar met de volledige persmededeling, een dagelijks overzicht, een wekelijks overzicht, of een dagelijks overzicht gefilterd op sleutelwoorden. Je kan je instellingen wijzigen via Mijn.politiek.net.

Politiek.net is in geen geval verantwoordelijk voor de inhoud van deze mededelingen.

Antwoord per e-mail aan