Hermes Persmededeling
Regeringen Verhofstadt en Dewael verdedigen onvoldoende Nederlandse taal en doen taalwetgeving schuiven
| Organisatie: | CD&V |
| Verstuurd door: | Luk Vanmaercke |
| E-post: | [EMAIL PROTECTED] |
| Internet: | http://www.cdenv.be |
| Telefoon: | (02) 238 38 75 |
| Telefax: | (02) 238 38 60 |
| Datum: | 11-02-2002 |
REGERINGEN VERHOFSTADT EN DEWAEL VERDEDIGEN
ONVOLDOENDE NEDERLANDSE TAAL
EN DOEN TAALWETGEVING SCHUIVEN
INLEIDING
De taal is een van de belangrijkste
uitingsvormen van de mens, en daarmee de belangrijkste cultuurdrager. In
hun moedertaal kunnen mensen zich met de meeste diepgang en nuance
uitdrukken.
De strijd voor Vlaanderen is voor een aanzienlijk deel
een strijd voor de eigen taal geweest : het Nederlands was en is het
symbool van de Vlaamse identiteit.
Zo moet de vernederlandsing van het
hele onderwijs in de jaren dertig van de vorige eeuw (eigenlijk nog geen
zeventig jaar geleden) als een mijlpaal in het Vlaams emancipatiestreven
worden beschouwd. Sinds die tijd speelt het Neder-lands op alle terreinen
van ons openbaar leven de eersterangsrol waar het recht op heeft. Daarvoor
hadden de Vlamingen decennia lang ondervonden hoe asociaal en
ondemocratisch een onderwijs-, rechts- en bestuurssysteem kan zijn dat de
eigen cultuurtaal door een vreemde taal vervangt.
Vlaanderen heeft
zich kunnen ontvoogden dankzij twee belangrijke elementen, enerzijds een
grote talenkennis van de bevolking, anderzijds een sterke verdediging van
de eigen taal.
Een aantal evoluties, mondialisering,
internationalisering van het onderwijs, ver-der-gaande Europese integratie,
de informatietechnologie, enz. maken ener-zijds die talenkennis des te
belangrijker, anderzijds hebben ze gevolgen voor de positie en het gebruik
van de Nederlandse taal.
Om zich te kunnen handhaven in een
meertalige samenleving waarin de grenzen vervagen, moet de Nederlandstalige
samenleving in hoge mate meertalig zijn, maar dit houdt niet in dat de
eigen taal ingeruild moet worden voor een andere. Taal is
politiek-maatschappelijk zeer belangrijk. Wie zijn moedertaal verliest,
verliest zijn identiteit. Het opgeven van de moedertaal komt bovendien
altijd neer op het opgeven van een deel van je rechten en heeft aldus een
belangrijk democratisch aspect.
De huidige regeringen zijn
met de problematiek van enerzijds het versterken van de talenkennis en
anderzijds de positie van het Nederlands, onvoldoende begaan. Integendeel.
Zo legt het huidige onderwijsbeleid niet de klemtoon op het op
peil houden van de kwaliteit van ons onderwijs, o.a. op het vlak van
talenkennis, maar wel op steriele onderwerpen, als netvervaging en op het
onnodig op stang jagen van de leerkrachten. Meer nog : recent is er in het
ASO een kwalijke evolutie in de richting van het verdwijnen van uren taal.
CD&V daarentegen wil een versterkte aandacht voor het talenonderwijs.
Anderzijds stellen we vast dat op alle beleidsniveaus de
verdediging van het Nederlands erop achteruitgaat. Zo zijn er een aantal
beslissingen genomen tot effectieve wijziging van de bestaande regelgeving
in een zin die � minstens in de feiten � voordelige(r) effecten heeft voor
de Franstaligen. Minstens even relevant zijn de beslissingen waardoor de
bestaande taalwetgeving wordt omzeild, resp. �faciliteiten� de facto worden
uitgebreid.
Hierna volgt een overzicht van alle kwalijke
evoluties i.v.m. de Nederlandse taal en van het gepruts aan de
taalwetgeving onder de paarse coalities, en dit per beleidsniveau.
1. OP HET NIVEAU VAN VLAANDEREN
1.1. Op het
vlak van het taalgebruik in het hoger onderwijs
Het voorontwerp
van decreet betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs (versie
18 januari 2002), doet momenteel de discussie over de taalregeling in het
hoger onderwijs opnieuw in alle hevigheid opwaaien.
Dit
voorontwerp bepaalt het volgende in verband met de taalregeling :
Art. 75 � De bestuurstaal in de hogescholen en universiteiten is het
Nederlands.
Art. 76- �1. De onderwijstaal in het hoger onderwijs
is het Nederlands.
In de bachelor- en in de masteropleidingen kunnen
evenwel volgende onderwijs- en andere studieactiviteiten in een andere taal
gedoceerd woden :
1� die welke een vreemde taal tot onderwerp hebben,
in deze taal;
2� die met betrekking tot opleidingsprogramma�s specifiek
ten behoeve van buitenlandse studenten opgesteld;
3�
opleidingsonderdelen die, met instemming van het instellingsbestuur, worden
gevolgd aan een andere instelling voor hoger onderwijs;
4�
opleidingsonderdelen die in beperkte gevallen en door een expliciet
gemotiveerde beslissing van het instellingsbestuur in een andere taal dan
het Nederlands worden gedoceerd; uit de motivering moet de meerwaarde en de
functionaliteit van een andere taal voor de opleiding blijken. Voor de
bacheloropleidingen mag het geheel van deze opleidingsonderdelen uitgedrukt
in studiepunten per academiejaar in het modeltraject niet meer dan 20
studiepunten bedragen.
Voor het geheel van bachelor- en
masteropleidingen van een instelling kan ten hoogste 20% van de opleidingen
in het geheel in een andere taal worden aangeboden.
�2. De
studenten hebben het recht over een in een vreemde taal gevolgd
opleidingsonderdeel van een aan een Nederlandstalige instelling gevolgde
opleiding examen in het Nederlands af te leggen, met uitzondering van de
onderwijsactiviteiten bedoeld in �1, 1� en 3�.
�3. In afwijking
van �1 bepaalt het instellingsbestuur vrij de onderwijstaal in de
bacheloropleidingen waarvoor de inschrijving alleen openstaat voor personen
die reeds in het bezit zijn van een graad van bachelor, de
masteropleidingen waarvoor de inschrijving alleen openstaat voor personen
die reeds in het bezit zijn van een graad van master, in de opleidingen die
leiden tot de graad van master in advanced studies en in de onderwijs- en
andere studieactiviteiten die als nascholing of bijscholing worden
georganiseerd.
�4. Het instellingsbestuur stelt terzake een
gedragscode op na raadpleging van de studenten en legt deze vast in het
onderwijs- en examenreglement.
Op initiatief van Vlaams
Volksvertegenwoordiger Gilbert Vanleenhove heeft de CD&V-fractie
volgend standpunt ten aanzien van deze tekst aangenomen.
In het
licht van de groeiende globalisering en mondialisering van de arbeidsmarkt,
van sociale en economische relaties waarmee afgestudeerden van vandaag
worden geconfronteerd, acht CD&V het bevorderen van meertaligheid bij
hoger onderwijsstudenten uiterst belangrijk. Internationale
studentenmobiliteit en mogelijkheden tot internationale ervaringen tijdens
het studiecurriculum zijn daarom erg belangrijk en moeten sterk worden
aangemoedigd en financieel haalbaar gemaakt. In ruimere mate en in meer
studierichtingen dan vandaag moet onderricht van vreemde talen een plaats
krijgen in de reguliere studiecurricula.
CD&V verwerpt echter
uitdrukkelijk dat naar Nederlands voorbeeld onze moedertaal als
onderwijstaal meer en meer op de achtergrond zou verdwijnen ten voordele
van het Engels of een andere vreemde taal. Het voorontwerp van decreet
�betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen�,
zet nochtans een poort daartoe open. De bepaling dat voor het geheel van
de op-leidingsonderdelen van een baccalaureaatopleiding, na expliciet
gemoti-veer-de beslissing van het instellingsbestuur, voor hoogstens 20
studiepunten per academiejaar in een vreemde taal mag worden gedoceerd,
laat toe dat dit doceren in een vreemde taal in alle
baccalaureaatopleidingen zonder onderscheid gebeurt. De verdere bepaling
dat voor het geheel van baccalaureaat- en meesteropleidingen van een
instelling ten hoogste 20% van de opleidingen in het geheel in een andere
taal aangeboden kan worden, maakt het mogelijk dat nagenoeg volledige
meesteropleidingen in ��nzelfde instelling in een vreemde taal onderwezen
worden. Om deze redenen verzet CD&V zich tegen de genoemde bepalingen
in het voorontwerp van decreet.
Omwille van de democratisering
van het hoger onderwijs en vanuit de sociale bekommernis tot het scheppen
van gelijke kansen voor alle studerende jongeren, alsook omwille van de
vrijwaring van blijvende ontwikkelingskansen van het Nederlands als
cultuur- en wetenschapstaal, wenst CD&V evenwel dat basisopleidingen
aan hogescholen en universiteiten principieel ��ntalig in het Nederlands
worden gedoceerd en ge�xamineerd.
Uitzonderingen op dit principe
moeten uiterst restrictief bepaald worden.
Behalve in de gevallen
hieronder opgesomd zijn anderstalige onderwijs- en studieactiviteiten in
baccalaureaatopleidingen uitgesloten. Ter ondersteuning van bepaalde
opleidingsonderdelen kunnen in baccalaureaatopleidingen wel sporadisch
gastcolleges door anderstalige gastprofessoren verzorgd worden. De concrete
inhoud ervan, indien die verder niet in het Nederlands aangebracht of
gedoceerd werd, kan echter nooit tot de leerstof van een examen behoren.
In meesteropleidingen moeten anderstalige onderwijs- en
studieactiviteiten beperkt blijven tot 20% van het programma per opleiding
en per studiejaar. In elk geval moet de student het recht behouden om in
het Nederlands examen af te leggen.
Zowel in baccalaureaat- als in
meesteropleidingen moeten onderwijs- en studieactiviteiten in een vreemde
taal mogelijk zijn wanneer deze opleidingen die vreemde taal tot onderwerp
hebben, wanneer zij specifiek ten behoeve van buitenlandse studenten werden
opgesteld, of wanneer zij met instemming van het instellingsbestuur gevolgd
worden aan een anderstalige instelling voor hoger onderwijs.
Het
instellingsbestuur moet ten slotte vrij de onderwijstaal kunnen bepalen
voor opleidingen die leiden tot de graad van meester in advanced studies en
in de onderwijs- en andere studieactiviteiten die als nascholing of
bijscholing worden georganiseerd.
1.2. Op het vlak van het
taalgebruik in de Vlaamse Rand rond Brussel
Nefaste gevolgen
van het Lambermontakkoord
Vooreerst dient opgemerkt te worden dat
ook voor de Vlaamse Rand het Lambermontakkoord een slecht akkoord is. Voor
het eerst stapten de Vlaamse onderhandelaars af van de federale logica dat
de waarborgen van de Brusselse Vlamingen gekoppeld zijn aan die van de
Franstaligen op federaal niveau. Voortaan is de positie van de Brusselse
Vlamingen ook nog eens gekoppeld aan de positie van de Franstaligen in de
Vlaamse Rand.
Onaanvaardbaar is dat in tegenstelling tot de
Vlamingen in Brussel, de Franstaligen in de Rand wel degelijk bijkomende
garanties hebben kunnen afdwingen. Niet alleen is in een bijzonder
toezichtsysteem voorzien voor de Franstalige burgemeesters wanneer zij
tuchtrechtelijk worden gesanctioneerd door de Vlaamse overheid
(inschakeling van de verenigde kamers van de Raad van State of van het
Arbitragehof), bovendien zullen deze burgemeesters, van zodra Vlaanderen
opteert voor de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester, kunnen
genieten van het onweerlegbaar vermoeden van kennis van de Nederlandse
taal. Dit plaatst Vlaanderen terug in de periode van voor 1988 met de
problemen rond het burgemeesterschap van Happart!
De
omzendbrieven Peeters-Martens
De schending van de omzendbrieven
wordt vastgesteld in de gemeenten Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode,
Wemmel en Wezembeek-Oppem.
Niettegenstaande stoere verklaringen en
ultimatums wordt door de Vlaamse regering tegen deze schendingen maar zeer
traag opgetreden. In dat verband dient verwezen te worden naar het dossier
van de onwettig ge�nde milieu-belasting in de faciliteitengemeente
Wezembeek-Oppem. Niettegen-staan-de het verstrijken van de termijn (op 15
januari) die de gemeente-ontvanger van Wezembeek-Oppem van de gouverneur
van Vlaams-Brabant had gekregen om de milieubelasting over 1998 terug te
storten aan de inwoners zo niet zou er een regeringscommissaris gestuurd
worden, is er geen vooruitgang ter herstel van de wettigheid (zie antwoord
van Minister Van Grembergen op een vraag van Vlaams Volksvertegenwoordiger
Eric Van Rompuy in het Vlaams Parlement op 23 januari 2002). De federale
minister van Binnenlandse Zaken (nog tot 31 december 2006 bevoegd i.v.m.
een tuchtprocedure) is niet van plan sancties te treffen tegen de
burgemeester van Wezembeek-Oppem (zie antwoord op vraag van
Volksvertegenwoordiger Paul Tant in de Kamer van Volksvertegenwoordigers op
17 januari 2002) en heeft in dat verband nog geen dossier gekregen (aldus
zijn antwoord in de Kamercommissie op 30 januari ll).
Er dient aan
herinnerd te worden dat VLD-voorzitter De Gucht vorig jaar de omzendbrieven
een �pesterij� heeft genoemd en �het veel hoffelijker zou vinden als de
omzendbrief-Peeters versoepeld werd� (zie De Standaard 7 mei 2001).
CD&V houdt onverminderd vast aan de toepassing van de omzendbrieven
Peeters-Martens. Zolang de Raad van State geen uitspraak heeft gedaan over
de schending door de omzendbrieven van de taalwetgeving moeten zij
onverkort en correct worden toegepast en gehandhaafd. Bovendien is CD&V
van mening dat er goede, juridisch-technische argumenten zijn voor de
bestaanbaarheid van de omzendbrieven met de taalwetgeving. Vooreerst heeft
het Arbitragehof het principe van de taalhomogeniteit van de eentalige
taalgebieden en de daaruit voortvloeiende voorrang van de taal van het
gebied, ook in de zogenaamde faciliteitengemeenten expliciet bevestigd. De
faciliteiten voor de bestuurden zijn een restrictief te interpreteren
uitzondering op de voorrang van de taal van het gebied. Bovendien schrijft
de taalwet niets voor met betrekking tot de wijze waarop de bestuurden,
inwoners van de faciliteitengemeenten gebruik kunnen maken van de
faciliteiten waarin de taalwet voorziet. Een subsidiaire normstelling die
elke � in casu, noodzakelijke � interpretatie impliceert, houdt nog geen
wijziging van de taalwet als dusdanig in en vereist bijgevolg niet de
grondwettelijk voorgeschreven bijzondere meerderheid. Bovendien doen deze
omzendbrieven niet meer dan een feitelijk gegroeide interpretatie
rechtzetten, die fundamenteel in strijd is met de letter en de geest van de
wet omdat zij een talentelling impliceert - eens Franstalig, altijd
Franstalig en registratie van wie documenten automatisch in het Frans wenst
te ontvangen � of minstens mogelijk maakt.
De Kaderconventie
van de Raad van Europa inzake de bescherming van de nationale minderheden
Op 31 juli 2001 ondertekende minister Michel namens Belgi� en alle
componenten van de federale staat de Kaderconventie. Dit gebeurde onder
het voorbehoud dat de toepassing van de Conventie geen afbreuk doet aan de
grondwettelijke bepalingen en beginselen, en evenmin aan de wettelijke
normen die op het ogenblik het taalgebruik regelen. Omdat de Conventie zelf
geen definitie van het begrip �minderheid� bevat, zal de Interministeri�le
Conferentie voor Buitenlands Beleid een bruikbare definitie uitwerken.
Deze benadering houdt eigenlijk een �blanco cheque� in i.v.m. de
invulling van het begrip �minderheid�. Deze benadering verschilt aldus
wezenlijk van deze van de vorige Vlaamse regering die op 23 juli 1997
uitdrukkelijk stelde dat bij de ondertekeningsakte een reserve of
interpretatieve verklaring moet worden gevoegd, luidend als volgt:
�Rekening houdend met het institutionele machtsevenwicht binnen de federale
overheid en met het grondwettelijk kader inzake taalwetgeving kunnen de
Nederlandstaligen en de Franstaligen in Belgi�, noch op het gehele
grondgebied van het koninkrijk noch op een deel ervan, worden geschouwd als
een nationale minderheid in de zin van deze kaderconventie over de
bescherming van de nationale minderheden�.
Verschillende
verklaringen van de laatste dagen � onder andere van federaal Vice-Premier
Vande Lanotte volgens dewelke �op Vlaams niveau men niet meer 100 procent
mensen vindt om te zeggen dat er geen minderheden zijn in Belgi� � wijzen
er op dat dit dossier terug in stroomversnelling is geraakt, zij het in een
totaal verkeerde richting! Uit verklaringen van Moureaux en Milquet blijkt
dat de Franstaligen ongeduldig worden over het uitblijven van verdere actie
in dit dossier, zijnde een afbetaling in het kader van de
Lambermont-onderhandelingen. De ratificatie van de Kaderconventie was hun
beloofd, aldus Milquet in een persmededeling van 25 januari ll.
Op
zaterdag 19 januari ll. had er in de Senaat een informeel overleg plaats
over de toepassing van het Kaderverdrag in Belgi�. Onder de aanwezigen
waren naast de voorzitter van de Raad van Europa, experts van de Commissie
van Veneti�, de federale vice-premiers Michel en Vande Lanotte, de federale
parlementsleden Jean-Pol Henry en Stef Goris en vertegenwoordigers van de
gewest- en gemeenschapsregeringen. Voor Vlaanderen was Minister Van
Grembergen aanwezig. Tijdens die bijeenkomst bleek dat volgens de experts
van de Commissie van Veneti� er in Belgi� slechts ��n nationale minderheid
is, namelijk de Duitstalige. Minister Michel heeft op die vergadering de
vraag geopperd of, rekening houdende met de steeds verdere defederalisering
van Belgi� met de daaruit voortvloeiende exclusieve bevoegdheden voor de
deelstaten, het probleem van de nationale minderheden niet zozeer op het
niveau van Belgi� dan wel op dat van de deelstaten, de provincies of zelfs
de lokale entiteiten moet worden bekeken.
Een dergelijke
benadering is voor CD&V onaanvaardbaar en volledig in strijd met de
opvatting van de Vlaamse regering van 23 juli 1997 � opvatting die
meermaals ondersteund werd door het Vlaams Parlement � dat rekening
houdende met het institutionele machtsevenwicht binnen de federale overheid
en met het grondwettelijk kader inzake taalwetgeving de Nederlandstaligen
en de Franstaligen in Belgi�, noch op het gehele grondgebeid van het
koninkrijk noch op een deel ervan, kunnen worden beschouwd als een
nationale minderheid.
Op vragen daaromtrent van Vlaams
Volksvertegenwoordiger Luc Van den Brande heeft minister Van Grembergen op
23 januari ll. in het Vlaams Parlement toegegeven dat minister Michel
inderdaad gevraagd heeft naar verder onderzoek naar de institutionele en
constitutionele oplossingen die Belgi� heeft gegeven aan het samenleven van
de twee gemeenschappen. Van Grembergen heeft gesteld dat deze vraag moet
behandeld worden op het Interministerieel Comit� Buitenlands Beleid.
Het is dus uitkijken naar de eerstvolgende vergadering van het
Interministerieel Comit� Buitenlands Beleid om te zien hoe dit dossier zich
verder ontwikkelt. Want er is duidelijk een Franstalig offensief aan de
gang : deze prijs voor Lambermont zal op de een of andere manier moeten
betaald worden.
Het is duidelijk dat dit dossier ontzettend
belangrijk is en serieuze gevolgen kan hebben voor de faciliteitenregeling.
In dat verband dient verwezen te worden naar Prof. Alen die de vraag stelt
naar de directe werking van de bepalingen van de Kaderconventie. Maar die
daaraan onmiddellijk toevoegt : maar omwille van de onvoorspelbaarheid op
dit vlak zullen de Nederlandstalingen op hun hoede moeten zijn, des te meer
omdat sommige bepalingen van het Kaderverdrag haaks staan op het
territorialiteitsbeginsel.
Er bestaat inderdaad een consensus
tussen experten dat sommige bepalingen van de Conventie tegenstrijdig zijn
met de Belgische taalwetgeving. Andere bepalingen zouden dan weer kunnen
ingeroepen worden om het debat opnieuw te lanceren over de toegang tot de
media, het culturele aanbod en het onderwijsaanbod voor die zgn.
minderheden. Er is geen twijfel mogelijk : de Franstaligen zullen de
ratificatie van deze Conventie aangrijpen om nieuwe rechten af te dwingen
op een aantal vlakken zoals onderwijs, media en cultuur.
De
pedagogische inspectie in de Franstalige faciliteitenscholen
Het
voorbije schooljaar besteedde de Vlaamse Gemeenschap ongeveer 9,3 miljoen
euro aan het Franstalig faciliteitenonderwijs. De pedagogische inspectie
ten aanzien van die scholen blijft voor problemen zorgen. Het gaat hierbij
ondermeer om het inhoudelijk toezicht op het leerplan, het onderwijspeil,
enz. Minister Vanderpoorten laat de problemen aanslepen : Vlaanderen is nog
steeds niet bevoegd voor de pedagogische inspectie, zoals nochtans unaniem
gevraagd in een motie van het Vlaams Parlement van 23 mei 1996.
Door het akkoord Dubois-Vermeylen van juni 1970 werd overeengekomen dat
de pedagogische inspectie van de Franstalige scholen gelegen in het
Nederlands taalgebied wordt behartigd door de inspectieleden van de Franse
taalrol en omgekeerd. Het protocol van 24 mei 1973, gesloten tussen de
toenmalige ministers Toussaint en Calewaert, stelt dat het beheer van de
Franstalige gesubsideerde scholen in Vlaanderen uitsluitend ressorteert
onder de bevoegd-heid van de Nederlandstalige minister, en dat de
pedagogische inspectie wordt verzekerd door het Franstalige departement dat
verslagen opmaakt met een vertaling voor de Nederlandse administratie. Deze
verslagen ontbreken momenteel. De administratie Onderwijs beschikt nog
altijd niet over de pedagogische inspectieverslagen van de Franse
Gemeenschap in de faciliteiten-scholen.
De onderhandelingen over
een nieuw protocol tussen de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap,
aangevat door de toenmalige minister van onderwijs Luc Van den Bossche
blijven maar aanslepen. De huidige minister van onderwijs hanteert bij deze
onderhandelingen een zeer minimalistisch stand-punt: ze aanvaardt met name
dat de Franstalige faciliteitenscholen de eindtermen van de Franse
Gemeenschap gebruiken; behalve voor het Nederlands mag de inspectie door de
Franse Gemeenschap gebeuren. Dat is een belangrijke stap achteruit t.a.v.
de vorige ministers van onderwijs die er van uitgingen dat de pedagogische
inspectie van de Franstalige faciliteitenscholen integraal door de Vlaamse
Gemeenschap moet gebeuren. De Vlaamse eindtermen moeten er gelden, met
uitzondering van de lessen Nederlands.
Op 29 maart 2000 keurden
de meerderheidsfracties in het Vlaams Parlement een zeer makke motie goed
waarin zij de Vlaamse regering nogmaals vroegen om de bevoegdheid van de
Vlaamse onderwijsinspectie in het faciliteiten-onderwijs te regelen. Na
twee jaar is er nog steeds geen resultaat.
Daarom heeft Vlaams
Volksvertegenwoordiger Brigitte Grouwels het initiatief genomen om samen
met de meerderheidsfracties via een nieuwe motie een duidelijker signaal te
geven. Op 30 januari ll. werd deze motie door het Vlaams Parlement
goedgekeurd. Daarin wordt niet alleen gevraagd om verder vast te houden aan
de bevoegdheid van de Vlaamse onderwijsinspectie, maar ook een inventaris
op te maken van de wijze waarop zowel de Vlaamse als de Franse Gemeenschap
hun verplichtingen inzake het faciliteitenonderwijs nakomen of niet
nakomen. Als blijkt dat de Franse Gemeenschap hier niet wil op ingaan, dan
vraagt het Vlaams Parlement om af te stappen van de protocollen �n van de
subsidi�ring van het faciliteitenonderwijs.
Halverwege de
legislatuur nog steeds geen actieplan van de Vlaamse regering voor de
Vlaamse Rand rond Brussel
Het Actieplan van de vorige Vlaamse
regering � goedgekeurd op 26 juni 1996 � had tot doel de problemen in
gemeenten met een bijzonder taalstatuut, de faciliteitengemeenten, en de
problemen in Vlaams-Brabantse gemeenten met een relevante anderstalige
minderheid geco�rdineerd en gestructureerd aan te pakken en daarbij werd
rekening gehouden met de diversiteit van de Vlaamse Rand.
Onder
deze nieuwe regering moest alles anders worden, dus ook een ander Actieplan
voor de Vlaamse Rand! Halverwege de legislatuur is dat nieuw Actieplan er
nog steeds niet! De bevoegde minister Anciaux heeft op 10 januari ll. wel
een �eerste worp� van wat een Actieplan zou kunnen worden, aan de
Commissieleden overgemaakt. Hij hoopt voor het parlementair reces een meer
voldragen actieplan op de ministerraad van de Vlaamse regering te kunnen
brengen, om dan na het reces een soort colloquium of bevraging daarover te
organiseren.
Ondertussen blijven effici�nte en concrete
maatregelen uit om enerzijds het Nederlandstalig karakter van de Rand te
versterken en anderzijds een open onthaal te voeren dat gericht is op de
integratie van anderstaligen.
We hebben het hier in het bijzonder
over :
Het ontbreken van een actieve huisvestingspolitiek en
grondpolitiek. Sinds het aantreden van de regering-Dewael zijn er al vier
ministers van Huisvesting aangetreden: Anciaux, Sauwens, Van Grembergen,
Gabri�ls. Gevolg: geen sterke acties, geen strategie t.a.v. de specifieke
problemen i.v.m. de woonmarkt in de Rand. Nochtans zal men slechts kunnen
komen tot een versterking van het Vlaams karakter van de Rand, als de
Vlamingen er kunnen wonen of komen wonen.
Het onvoldoende aanbod
van cursussen Nederlands als Tweede Taal. Inzonderheid voor laaggeschoolde
anderstaligen is het aanbod absoluut ontoereikend.
De studie
�Vernederlandsing van het straatbeeld en verfijning van de
bestuurstaalwetgeving� van professor dr. Marc Boes ( in 1999 door de
provincie Vlaams-Brabant besteld en in de loop van mei 2000 bezorgd aan de
Vlaamse regering) krijgt geen concrete opvolging.
Nog steeds geen
structurele maatregelen voor Ring TV. Op 28 maart 2001 heeft het Vlaams
Parlement unaniem een voorstel van resolutie aangenomen betreffende
maatregelen voor het levensvatbaar houden van Ring TV. Omwille van het
uitblijven van die maatregelen heeft de CD&V-fractie n.a.v. de
begrotingsbesprekingen voor 2002 bij wege van amendement een verhoging van
de kredieten voorgesteld voor het programma Vlaamse Rand, die moesten
aangewend worden voor Ring TV. Dit amendement werd weggestemd door de
meerderheidsfracties.
2. OP HET NIVEAU VAN BRUSSEL
2.1. De versoepeling van de taalaanhorigheidscriteria voor Brusselse
lokale mandatarissen door het Lombard-akkoord
Voor de Brusselse
lokale besturen gelden een aantal specifieke bepalingen inzake de
vertegenwoordiging van de twee taalgroepen:
 Als een
Brusselse OCMW-raad geen enkel lid van ��n van de twee taalgroepen telt,
dan maakt het eerste niet verkozen gemeenteraadslid dat behoort tot de
niet-vertegenwoordigde taalgroep van rechtswege deel uit van de OCMW-raad
(art. 6, �4, van de organieke OCMW-wet);
 In de Brusselse
gemeenten kan men, om de aanwezigheid van beide taalgroepen in het
schepencollege te verzekeren, een bijkomende schepen verkiezen (art. 279,
�1, van de nieuwe gemeentewet);
 In de Brusselse gemeenten
waar een gemeenteraadslid van een taalgroep de voordracht van de
burgemeester mee ondertekend heeft, is het wettelijk verplicht om ook een
schepen of OCMW-voorzitter van die taalgroep te verkiezen (art. 279, �2,
van de nieuwe gemeentewet);
 In de Brusselse gemeenten waar
een taalgroep niet vertegenwoordigd is in de gemeenteraad kan het eerst
gerangschikte OCMW-raadslid van die taalgroep alle akten en stukken
inkijken zoals een gemeenteraadslid (art. 280 van de nieuwe gemeentewet);
 De Brusselse politieraden dienen een gewaarborgd aantal
leden van de Nederlandse taalgroep te bevatten (art. 22bis van de wet tot
organisatie van een ge�ntegreerde politiedienst).
Deze waarborgen
voor de aanwezigheid van beide taalgroepen in een aantal lokale organen,
maakt het noodzakelijk om de taalaanhorigheid van de leden van deze organen
vast te stellen. In alle bovenvermelde gevallen wordt voor de vaststelling
van de taalaanhorigheid van een kandidaat of mandataris verwezen naar art.
23bis van de gemeentekieswet. Dit bepaalt dat in de gemeenten van het
Brussels Hoofdstedelijk Gewest in de voordrachten melding kan worden
gemaakt van de taalaanhorigheid van de kandidaten.
Deze bepaling
is in de praktijk niet waterdicht gebleken. Het afleggen van een
taalaanhorigheidsverklaring bij de kandidaatstelling is immers niet
verplicht. In de praktijk kan trouwens vastgesteld worden dat zeer veel
(waarschijnlijk de grote meerderheid) van de kandidaten voor de
gemeenteraadsverkiezingen dit dan ook niet doen.
De praktijk wijst
ook uit dat dit (bijna onvermijdelijk) betwistingen tot gevolg heeft. Wat
betreft de huidige legislatuur kan verwezen worden naar Brussel-stad en St.
Joost-ten-Node. In beide gevallen werd geen Nederlandstalig OCMW- raadslid
rechtstreeks verkozen. In beide gevallen stelde de OCMW-voorzitter (beiden
PS) dat er geen bijkomend Nederlandstalig OCMW-raadslid nodig was, vermits
geen enkele van de verkozen OCMW-raadsleden een
taalaan-horig-heids-verklaring hadden afgelegd en dus niet kon vastgesteld
worden dat ��n van beide taalgroepen niet vertegenwoordigd was. De facto
maakte men hier dus van een hiaat in de wetgeving gebruik om de waarborgen
inzake de vertegenwoordiging van beide taalgroepen te omzeilen.
St. Joost-ten-Node volhardt in deze houding. In Brussel-stad aanvaardde
men uiteindelijk de noodzaak van een bijkomend Nederlandstalig
OCMW-raadslid. Maar dit resulteerde dan weer in een controverse over wie de
eerste niet-verkozen Nederlandstalige kandidaat voor de gemeenteraad was.
Verschillende Nederlandstalige kandidaten hadden immers geen
taalaanhorigheidsverklaring ingediend. Er werd uiteindelijk een oplossing
geforceerd, eerder op basis van de krachtsverhoudingen binnen de
meerderheid dan op basis van de wet.
De oplossing ligt voor de
hand. Het volstaat om in art. 23bis, �1, van de gemeentekieswet het woord
�kan� te vervangen door �moet�. Dit zou impliceren dat elke kandidaat bij
zijn/haar voordracht een taalaanhorigheidsverklaring moet afleggen.
Daardoor zou de samenstelling van de taalgroepen in de Brusselse lokale
besturen ��nduidig vastgelegd worden en zou een correcte toepassing van de
wet vergemakkelijkt worden. Het zou ook eerlijker en duidelijker zijn
t.a.v. de kiezer. Een dergelijk voorstel werd tijdens de
Lombard-besprekingen geformuleerd door CD&V, maar niet weerhouden door
de paarse meerderheid die het Lombard-akkoord ondertekende.
In
plaats van het bestaande hiaat te dichten, besloten de
Lombard-onderhandelaars het te vergroten. In art. 279 van de nieuwe
gemeentewet werd een bepaling ingeschreven waardoor de
taalaanhorigheidsverklaring niet alleen kan worden gedaan in de akte van
voordracht voor de gemeenteraads-ver-kie-zingen, maar eveneens in de akte
van voordracht voor de OCMW-raads-verkiezingen, in de akte van voordracht
van elke schepen, en in de vergadering van de OCMW-raad die de voorzitter
verkiest. Er wordt ook voorzien in een overgangsregeling tot aan de
indiening van de voordracht voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2006,
waardoor de gemeenteraadsleden ook na hun verkiezing nog een
taalaanhorigheidsverklaring kunnen afleggen. Tenslotte wordt ook voorzien
dat niemand tezelfdertijd twee verschillende
taal-aan-horigheids-verklaringen kan afleggen. In principe telt de eerste.
Tot de voordracht voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 telt echter de
laatste.
Het is duidelijk dat deze bepalingen de deur verder
openzetten om kandidaten voor diverse lokale mandaten toe te laten de
�gepaste� taalaan-horigheidsverklaring af te leggen op het tijdstip dat zij
vaststellen dat het hen goed uitkomt. Bovendien laat de overgangsregeling
tot 2006 toe dat zelfs een Franstalige lokale mandataris die reeds een
��nduidige en geldige Franstalige taalaanhorigheidsverklaring heeft
afgelegd alsnog van taalrol verandert om zo een voor de Vlamingen
gewaarborgd mandaat op te eisen.
In Vorst probeerde men dit
systeem reeds te gebruiken om een zittende Franstalige schepen om te
toveren in een �Vlaamse schepen� (of Flamand de service, zoals hij het zelf
uitdrukte). Enkel een dreigement met een crisis in de Brusselse
Hoofdstedelijke Regering kon een einde stellen aan deze farce.
In
St. Gillis speelde men het spel subtieler. Daar werd een niet-verkozen
PRL-kandidate alsnog de gemeenteraad binnen geloodst, waar zij prompt, met
behulp van de Brusselse VLD, haar Nederlandstalige identiteit �ontdekte�.
Dat opende voor haar de weg om Vlaamse schepen te worden.
Op
slechts enkele maanden tijd is dus al bewezen dat het Lombard-akkoord de
deur heeft open gezet voor taalaanhorigheidsverklaringen pour les besoins
de la cause en dat de enige manier om al te flagrante misbruiken hiervan
tegen te gaan, erin bestaat om op gewestelijk vlak met een communautaire
crisis te dreigen. Dat zijn dus de zgn. Vlaamse waarborgen en de
communautaire pacificatie van het Lombard-akkoord.
2.2. De
federale regering zaait verwarring rond het Brusselse
taalhoffelijk-heids-akkoord
Het taalhoffelijkheidsakkoord werd
eind 1996 afgesloten binnen de Brusselse Hoofdstedelijke Regering en is
sinds 1997 van toepassing via twee omzendbrieven (een voor de 19 Brusselse
gemeenten en een voor de 19 Brusselse OCMW�s). Dit akkoord was een
doorbraak omdat het vanwege de Franstaligen de erkenning inhield dat de
wettelijke tweetaligheidsvereiste van toepassing is op de contractuele
personeelsleden van de Brusselse gemeenten en OCMW�s. Sindsdien kunnen
contractuelen die niet over een tweetaligheids-brevet beschikken slechts
voor een periode van twee jaar aangeworven worden. Binnen die periode
moeten ze het vereiste taalbrevet halen. Aanwervingen die hier geen
rekening mee houden worden sinds 1998 niet alleen geschorst door de
Vice-Gouverneur, maar indien nodig ook vernietigd door de Brusselse
Hoofdstedelijke Regering.
Het taalhoffelijkheidsakkoord werd ook
verbonden aan de verdere functiona-lisering van de taalexamens van de
federale selectiedienst Selor (vroeger VWS). De ene keer verklaart Minister
Luc Van den Bossche in het federale parlement dat de taalexamens
voortdurend ge�valueerd en aangepast worden en dat ze dus zeer functioneel
zijn. Een andere keer antwoordt hij dat er een nieuwe evaluatie en
doorlichting nodig is. Dat sleept zo nu al aan sinds 2000, zonder dat de
federale regering aan de Brusselse regering een duidelijk signaal geeft of
de Selor-taalexamens nu wel of niet functioneel aangepast zijn.
Op
deze wijze ontvlucht de federale regering haar verantwoordelijkheid en
biedt zij de Brusselse Franstaligen een uitvlucht om de uitvoering van het
taal-hoffelijkheids-akkoord steeds weer in vraag te stellen.
3. OP HET BELGISCHE NIVEAU
3.1. Taalwetgeving
in bestuurszaken
De invoering van de Copernicushervorming van de
federale administratie zou ook een radicale modernisering van de
taalwetgeving vereisen. Men zou kunnen veronderstellen dat een dergelijke
hervorming en modernisering gaat in een verscherping van de taalkennis van
op zijn minst de hogere en hoogste ambtenaren. Zij krijgen immers een
marktconforme verloning. Daartegenover mogen taal � en
bekwaamheidsvereisten staan die de toets met de priv� moeten (kunnen)
doorstaan. Een grondige kennis van minstens twee en bij voorkeur alle
landstalen, aangevuld met een voldoende kennis van de managementtaal bij
uitstek, het Engels zou de evidentie zelve moeten zijn. N.a.v. de
bespreking van het wetsontwerp dat de principes van de Copernicushervorming
beoogt te verwerken in de geco�rdineerde wetten op het gebruik van talen in
bestuurszaken, werd door Volksvertegenwoordigers Paul Tant en Servais
Verherstraeten, inzonderheid op het volgende gewezen :
A.
inschrijving van een functionele kennis van de tweede taal
Om de
taaladjuncten die de voordien eentalige topambtenaren bijstonden te kunnen
afschaffen is de notie van de functionele tweetaligheid ingevoerd. Voortaan
moeten alle topambtenaren het bewijs leveren, binnen een bepaalde periode
na hun aanstelling van een �functionele tweetaligheid�. De kans is meer
dan groot dat deze �op het eerste gezicht � verstrakking van de vereiste
van kennis van de tweede taal voor topambtenaren, zal leiden tot een
substanti�le verlaging van de voorwaarden om als tweetalig te worden
aangemerkt. De functionele tweetaligheid dreigt de norm te worden!
De beperking van het vereiste kennisniveau tot �functionele
tweetaligheid� om als tweetalige te kunnen worden aangemerkt gaat niet ver
genoeg. Het ontneemt aan het begrip �tweetaligheid� elke wezenlijke inhoud.
Het is niet volledig uit te sluiten dat de verlaging van de �lat van de
tweetaligheid� vooral tot doel heeft om te voorkomen dat hoofdzakelijk
Franstaligen geen toegang hebben tot de topfuncties omwille van de
taalvoorwaarden. Niettegenstaande dit voor het behoorlijk functioneren
binnen de administratie van een tweetalig land logisch zou moeten zijn,
slaagt de regering er blijkbaar niet in een voor de hand liggend niveau aan
tweetaligheid op te leggen voor alle topambtenaren.
Minstens even
verwerpelijk is dat deze �versoepeling� van de �tweetaligheid� belangrijke
en onherstelbare repercussies heeft voor Brussel. Ook daar zal � in het
nadeel van de Nederlandstaligen - snel genoegen worden genomen met een
sterk afgezwakte tweetaligheid.
Het is duidelijk dat de paarse
meerderheid niet heeft nagedacht over de verdere repercussies van de
sowieso � ook in het raam van de toenemende internationalisering � foute
opties bij de wijziging van de taalwetgeving.
B. Tijdstip en
wijze beoordeling �functionele tweetaligheid�.
De veel te lakse
invulling van de taaleisen die aan de topambtenaren wordt gesteld, wordt
bovendien nog verder afgezwakt door de wijze waarop die taalkennis wordt
beoordeeld en gebruikt. Zo is de functionele tweetaligheid geen
noodzakelijke toelatingsvoorwaarde die wordt getoetst alvorens een
kandidaat kan worden aangesteld voor een managementfunctie. Het volstaat
dat de kandidaat �uiterlijk zes maanden na zijn aanstelling�, het bewijs
levert van deze functionele kennis van de tweede taal. Het is maar zeer de
vraag of dat niet veel te laat is om een onvoldoende �functionele� kennis
van die tweede taal nog daadwerkelijk te sanctioneren en op grond daarvan
het mandaat voortijdig te be�indigen. Welke examinator zal op grond daarvan
een topambtenaar wandelen sturen. Het is een handig instrument om een
feitelijke situatie van onvoldoende taalkennis te bestendigen.
C. Inschrijving van de mogelijkheid om beroep te doen op vertalers voor
het opstellen van elk document m.b.t. de evaluatie van een ambtenaar.
Deze regel bevestigt meteen dat de voorgeschreven �functionele
tweetaligheid� zelfs onvoldoende is voor ��n van de zeer belangrijke taken
van de topambtenaren: de evaluatie van de medewerkers. Meteen is ook
duidelijk dat men de �last� van het gebrek aan politieke moed om die
effectieve en grondige tweetaligheid te eisen, verplaatst naar de te
evalueren medewerkers. Zij zullen moeten controleren of alle vertalingen
correct zijn, zodat zij op grond van de juiste, juist weergegeven en
vertaalde informatie werden beoordeeld en ge�valueerd. Dit is meer dan een
stap achteruit.
D. De toewijzing van alle betrekkingen van
voorzitter van het directiecomit� in gelijke percentages aan het
Nederlandse en Franse taalkader.
De verdeling tussen de twee
taalkaders van de �topambtenaren� of titularissen van een managementfunctie
moet worden beoordeeld binnen eenzelfde ministerie of Federale
overheidsdienst. Er is geen enkele objectief te verant-woorden reden om de
50/50 verdeelsleutel te gaan toepassen op het geheel van de
managementfuncties over de verschillende Federale overheids-diensten heen.
Tenzij dan de actueel voor de Nederlandstaligen gunstige verdeling
van het totaal aantal secretarissen-generaal tenietdoen. Dit feitelijke
overwicht aan Nederlandstalige topambtenaren is nochtans verklaarbaar en te
verantwoorden gelet op de taalverhoudingen in Belgi�. Na een paritaire
ministerraad, ook een paritaire top van de administratie!
Nog
erger is dat deze wijziging problemen kan en zal opleveren vanuit het
oogpunt van het gelijkheidsbeginsel bij de werving voor managementfuncties.
De beste gerangschikte kandidaat zal eventueel niet kunnen worden benoemd,
om redenen die niets te maken hebben met de taalverhoudingen binnen de FOD
waarvoor hij heeft gekandideerd, doch alles met de geldende
taal-verhou-dingen over het geheel van de FOD�s.
Zo schendt de
paarse meerderheid een uitgangspunt waarover de mening van nagenoeg alle
Belgen is gevraagd naar aanleiding van de Copernicusbevraging: zo zal niet
langer voor de meest bekwame of beste kunnen worden gekozen, wanneer die
toevallig niet de juiste (basis)taalaanhorigheid.
3.2.
Taalwetgeving in gerechtszaken
Het voorontwerp van wet
�goedgekeurd door de ministerraad van 22 juni 2001-tot vervanging van een
bepaling van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in
gerechtszaken strekt ertoe het taalexamen aan te passen. Officieel luidt
het dat het taalexamen moet worden aangepast �zodat het beter beantwoordt
aan de behoeften van de uit te voeren functie�. Erkend wordt dat de lat
merkelijk wordt verlaagd om �de kritieke toestand inzake het parket en de
rechtbanken van eerste aanleg te Brussel snel te verhelpen�.
Voortaan zal voor een aantal belangrijke functies de �vereiste
taalkennis in redelijkheid worden aangepast aan de vereisten van de
betrokken functie�. De facto komt het erop neer dat magistraten in meeste
gevallen enkel actieve en passieve mondelinge kennis van de andere taal
alsook een passieve schriftelijke kennis van die taal moeten hebben.
Opnieuw is het gelet op de motivering en opzet van de wetswijziging
duidelijk dat men het vooral die rechters die hun diploma in het Frans
hebben gehaald makkelijker wil maken om het bewijs te kunnen leveren van
(een beperktere) kennis van de andere taal, het Nederlands.
3.3. Verdubbeling van het aantal �toegevoegde rechters� en
substituut-procureurs des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg en het
parket voor het � nog steeds niet gesplitste � rechtsgebied van het Hof van
Beroep van Brussel. Afwezigheid van maatregelen om de grote achterstand in
de Nederlandstalige dossiers bij het Hof van Cassatie weg te werken.
Begin november 2001 werd door Minister Verwilghen een wetsontwerp
ingediend dat tot doel heeft de gerechtelijke achterstand bij het parket en
bij de rechtbank van eerste aanleg van Brussel weg te werken. Het aantal
toegevoegde rechters en substituut-procureurs des Konings voor het
rechtsgebied van het Hof van Beroep te Brussel wordt verdubbeld,
respectievelijk van 25 naar 50 en van 17 naar 34.
Dit wetsontwerp
is een exacte kopie van een ontwerp dat Verwilghen vorig jaar reeds in de
kamer indiende (ontwerp van 27 juli 2000 doc n� 836/001) maar dat hij
noodgedwongen diende in te trekken op basis van het goedgekeurde
belangenconflict in het Vlaams Parlement, dit op initiatief van Vlaams
Volks-vertegen-woordiger Ludwig Caluw�.
Ook nu weer heeft het
Vlaams Parlement unaniem een belangenconflict tegen dit tweede identieke
ontwerp goedgekeurd .
Het belangrijkste probleem is dat Verwilghen
met ontwerp het aantal toegevoegde rechters in Brussel drastisch wil
verhogen. Toegevoegde rechters zijn echter niet aan een rechtbank gebonden
en worden dus ook niet aangerekend op het vaste kader van een rechtbank.
Zij worden tijdelijk ingezet volgens de behoeften van de dienst. Om die
reden vallen de toegevoegde rechters en toegevoegde substituut-procureurs
des Konings niet onder de taalwet in gerechtszaken die voorschrijft dat
minstens 1/3 van de Brusselse magistraten van de rechtbank van eerste
aanleg, de rechtbank van koophandel en de arbeidsrechtbank een
Nederlandstalig diploma moet hebben en die bepaalt dat 2/3 van alle
Brusselse magistraten het bewijs moet leveren van de andere taal.
Gezien de gerechtelijke achterstand in Brussel hoofdzakelijk geldt voor
de Frans-talige dossiers, betekent de aanwerving van extra toegevoegde
magistraten in de praktijk dat deze ��ntalig Frans zullen zijn.
Dit zal dan ook leiden tot een onaanvaardbare verstoring van de
taalverhoudingen bij de magistratuur te Brussel ten nadele van de
Nederlandstaligen.
Wanneer we dan ook nog in aanmerking nemen dat
de ��ntalige toegevoegde magistraten meer verdienen dan hun gewone
tweetalige collega�s (een toe-gevoegde magistraat ontvangt immers een
jaarlijkse premie) waardoor de motivatie om deel te nemen aan de
taalexamens natuurlijk afneemt, dan kan het ook niet anders meer dan dat de
regering aanstuurt op een verfransing van de rechtbanken te Brussel.
Mede in het licht van het voorgaande is het onbegrijpelijk en niet te
verantwoorden dat men de achterstand van Franstalige dossiers in Brussel
poogt op te lossen op een manier die de taalwetgeving in gerechtszaken
omzeilt, maar geen enkele moeite doet om het probleem van de achterstand in
de Neder--landstalige dossiers �niettegenstaande de Nederlandstalige kamers
jaarlijks substantieel meer arresten vellen dan de Franstalige � bij het
Hof van Cassatie op te lossen.
Volledigheidshalve dient nog
vermeld te worden dat PS-voorzitter Di Rupo op 21 januari ll. verklaarde
dat het wetsontwerp over de toegevoegde rechters zo snel mogelijk moet
worden goedgekeurd omdat �dat deel uitmaakt van een algemeen compromis�.
3.4. Indeling in politiezones: de facto uitbreiding van
de faciliteiten in de Vlaamse rand en de taalgrensgemeenten
Tengevolge de politiehervorming werd het grondgebied ingedeeld in 196
politiezones. In sommige zones werd daarbij een faciliteitengemeente
onder-verdeeld bij andere Vlaamse gemeenten. De organisatie van de dienst
vereist echter dat ten allen tijde de inwoners van de faciliteitengemeente
in beide landstalen kunnen geholpen worden. Politieagenten die voorheen
enkel in het Nederlands moesten functioneren moeten nu ook de Franse taal
machtig zijn in het geval zij in de faciliteitengemeente worden ingezet
(bijvoorbeeld tijdens wachtdiensten). De minister van Binnenlandse Zaken
liet reeds weten dat bij nieuwe aanwervingen in de zones enkel tweetalige
agenten kunnen aangeworven worden om aan deze noden te voldoen. De
tweetaligheid van de dienst wordt op die manier uitgebreid over de hele
politiezone, niettegen-staande dit in hoofdzaak zuiver ��ntalig Vlaamse
gemeenten betreft.
3.5. Uitzonderlijk lange overgangsregeling
betreffende het taalstatuut voor de leden van de politiediensten
Door de oprichting van de ge�ntegreerde politiediensten, gestructureerd
op twee niveaus, werden ook een aantal personeelsleden overgedragen die
voordien aan andere taalwetten onderworpen waren (i.c. de militairen
onderworpen aan het toepassingsgebied van de wet van 30 juli 1938
betreffende het gebruik der talen bij het leger). Voor die personeelsleden
die nu een ambt bekleden in een dienst waar een zekere kennis van een
andere taal is vereist, wordt nu een overgangsmaatregel voorzien van ten
hoogste vijf jaar naargelang het een personeelslid betreft van het
operationeel dan wel van het administratief en logistiek kader.
3.6. Aanstelling van de top van de politie zonder vaststellen van
taalkaders en met taalpariteit
De eerste aanstelling van de
functies als commissaris-generaal, directeur-generaal, bestuurlijke
directeur-co�rdinator, gerechtelijke directeur van de federale politie,
korpschef van de lokale politie en inspecteur-generaal, zijn gebeurd zonder
voorafgaandelijk taalkaders vast te stellen.
Bovendien wordt er
taalpariteit tot stand gebracht, enerzijds, in de groep samengesteld uit de
commissaris-generaal, de inspecteur-generaal, de directeurs-generaal en de
adjunct-directeurs-generaal en anderzijds, in de groep van directeurs bij
een algemene directie van de federale politie en bij de diensten van de
commissaris-generaal en van de adjunct-inspecteurs-generaal.
4. OP HET EUROPESE NIVEAU
De taalstrijd van vandaag en
morgen speelt zich ook af op het Europese niveau. De regeling van het
taalgebruik in de Europese instellingen wordt meer dan ooit een belangrijke
zaak in het licht van de EU uitbreiding naar Oost- en Centraal Europa en de
navenante toename van het aantal te gebruiken offici�le talen en werktalen.
De Vlaamse christen-democraten eisen ook na de uitbreiding het behoud van
de meertaligheid omdat het een uiting is van het respect voor de culturele
diversiteit en van de principi�le gelijkheid van alle talen en hun
gebruikers.
Alle Europese burgers moeten zich kunnen thuis voelen
in hun Europa, dat over hen zeggenschap heeft, dat ze via rechtstreekse
verkiezingen legitimeren en waarvan ze geacht worden de wetten te kennen.
De realisatie van het meertaligheidsprincipe komt vandaag onder
meer tot uiting in het verdragsrechtelijk gegarandeerd recht van elke
burger om de Europese instellingen aan te schrijven in de offici�le taal
van zijn land en ook in die taal een antwoord te krijgen. Een consequent
doorgedreven gelijke taalbehandeling van de EU-burgers betekent ook een
gelijke behandeling van hun afgevaardigden, want dit hangt samen met hun
onderhandelingspositie en de mogelijkheid tot be�nvloeding en dus
machtsuitoefening. Voor CD&V moet derhalve elk parlementslid ook in de
toekomst het recht hebben actief en passief en zowel mondeling als
schriftelijk in zijn parlementaire werkzaamheden zijn eigen (offici�le)
taal te gebruiken.
De meertaligheid wordt vandaag de dag redelijk
goed gegarandeerd en gerespecteerd, althans in de Europese instellingen.
Een verontrustende vaststelling is echter dat steeds vaker
bepaalde bevoegdheden worden toegewezen aan afzonderlijke juridische
entiteiten, die daartoe speciaal en los van de eigenlijke Europese
instellingen worden opgericht en die een eigen taalregeling meekrijgen die
de gelijkheid van de talen en hun gebruikers niet altijd respecteert. Het
merkenbureau was hier een spijtig voorbeeld van. En ofschoon altijd werd
gezworen dat deze beslissing geen precedentwaarde mocht hebben, is nu het
omgekeerde bewaarheid. Dit ondanks het feit dat een minister in de regering
zit die destijds namens zijn partij - toen in de oppositie - zwaar
fulmineerde tegen de taalregeling in het Merkenbureau.
Tekeningen
en modellen
Amper 48 uur voor de top van Laken - waar principes
als "transparantie", "betrokkenheid van de burger" en "respect voor de
culturele eigenheid" hoog in het vaandel stonden - besliste de Belgische
regering om de Raadsverordening betreffende gemeenschapsmodellen, die de
bescherming op een Europese leest van vormgeving en design beoogt, goed te
keuren. De verordening heeft tot gevolg dat het Nederlands en negen andere
talen eens te meer gediscrimineerd worden. Wat de correspondentie met en de
administratieve geschillenprocedure van het bureau voor tekeningen en
modellen betreft, is het Nederlands duidelijk een tweederangsbehandeling
toegewezen.
Sinds november 2000 werd herhaaldelijk en vooral in
de grootste discretie op Raadsniveau over het talenregime gesproken. Uit de
vele taalmanoeuvres in het dossier blijkt dat de Belgische regering zich
niet echt heeft ingespannen om het Nederlands te verdedigen. Omdat in de
Raad bij unanimiteit beslist werd over het verordeningsvoorstel kon een
discriminerend talenregime door de Belgische regering nochtans worden
tegenhouden.
CD&V betreurt deze beslissing van de Belgische
regering en stelt vast dat de Vlaamse regering zich terzake op generlei
wijze kritisch opstelt, meer zelfs : niet op de hoogte is van dit dossier!.
Nochtans werd de Vlaamse regering op 28 november 2001 tijdens het vragenuur
in het Vlaams Parlement door Vlaams Volksvertegenwoordiger Luc Van den
Brande gewaarschuwd voor het op handen zijnde talendebacle. Van de kant van
de Vlaamse regering werd sindsdien helaas niets meer gehoord.
Gemeenschapsoctrooi
CD&V wil verder nog de aandacht
trekken op een ander taalgevoelig dossier waar de positie van het
Nederlands in vraag gesteld wordt, met name het op stapel staande
verordenings-voorstel betreffende het Gemeenschapsoctrooi.
Tijdens de top van Laken, noch tijdens de buitengewone vergadering van
de Raad interne markt van 20 december 2001 slaagden de lidstaten er in om
een akkoord te bereiken over de taalaspecten van het Gemeenschapsoctrooi.
De door het Belgisch Raadsvoorzitterschap naar voor geschoven
compromis-voorstellen waren niet van die aard om de positie van het
Nederlands in Europa veilig te stellen. Ook in dit dossier staat de Vlaamse
regering blijkbaar machteloos, kan zij niet wegen op het Belgische
standpunt terzake, zoals blijkt uit de antwoorden die Luc Van den Brande
kreeg op vragen daaromtrent in het Vlaams Parlement.
De Vlaamse
christen-democraten roepen de Belgische regering op om in dit dossier haar
Nederlandsonvriendelijke houding te laten varen, respect op te brengen voor
onze eigen taal, en daadwerkelijk de verdediging van het Nederlands op zich
te nemen.
Ludwig Caluw�
Marianne Thyssen
11
februari 2002
|
[Reageren]
[Persmededeling en reacties op het web nalezen]
Hermes is de gratis persmededelingendienst van Politiek.net
Deze berichten werden verstuurd naar de nieuwsredacties en de abonnees van Hermes. Meer informatie en in- en uitschrijven kan via http://www.politiek.net/hermes of via een berichtje naar [EMAIL PROTECTED].
Hermes is beschikbaar met de volledige persmededeling, een dagelijks overzicht, een wekelijks overzicht, of een dagelijks overzicht gefilterd op sleutelwoorden. Je kan je instellingen wijzigen via Mijn.politiek.net.
Politiek.net is in geen geval verantwoordelijk voor de inhoud van deze mededelingen.
|