Hermes Persmededeling
Een jonge visie op onderwijs
| Organisatie: | Jong VLD Nationaal |
| Verstuurd door: | Dewi Van De Vyver |
| E-post: | [EMAIL PROTECTED] |
| Internet: | |
| Telefoon: | 0475/73.79.52 |
| Telefax: | |
| Datum: | 22-02-2002 |
Een Jonge Visie Op Onderwijs
1. Een individuele benadering van het
kind
Onderwijs in Vlaanderen wordt wereldwijd zeer hoog ingeschat.
In zowat alle statistieken en tabellen prijken onze resultaten bovenaan.
Zowel over het aantal studenten, als het door hen behaalde niveau, mogen we
terecht trots zijn. Ongetwijfeld is dit een gevolg van de kwaliteit van
onze mensen op het terrein, maar ook van de aandacht die er vanuit de
verschillende overheden steeds naar onderwijs is uitgegaan. Willen we
echter ook in de toekomst een dergelijke balans naar voor kunnen schuiven,
moeten we telkens opnieuw de uitdaging van een steeds veranderende
maatschappij durven aangaan.
Wat moet onderwijs aanleren ?
Belangrijk is een degelijke analyse van het vooropgestelde doel. Is
iemand op 18 jaar klaar om in het beroepsleven te stappen, dan wel om
verder te studeren ? De behoefte aan praktische vakken tijdens de opleiding
zal ongetwijfeld hoger zijn indien iemand na het be�indigen van het
secundair onderwijs dadelijk aan de slag wil. Daartegenover staat de
veelheid aan theoretische kennis die moet worden verworven als
voorbereiding op een hogere opleiding. Steeds is een evenwichtig zelfbeeld
echter essentieel in de verdere ontplooiing van het individu, en onderzoek
toont aan dat we juist daar met een ernstig probleem te kampen hebben.
Toen er vanaf de jaren �60 veel aandacht uitging naar de
maatschappelijke achterstelling van vrouwen, werd hun lage eigendunk als
��n van de belangrijkste obstakels aanzien. Zo ook, en zeer terecht, in het
onderwijs. Dus werd, vooral in gemengde scholen, zowel lesinhoud als
leermethode bijgestuurd. Dat deze handelswijze voor de meisjes in grote
mate succesvol is geweest, blijkt uit de schitterende resultaten die zij de
laatste jaren in heel de Westerse onderwijswereld behalen.
Maar
ongeveer gelijktijdig merkt men een alarmerende achteruitgang van het
onderwijsniveau van de jongens. Terwijl de pedagogie nog steeds vooral
begaan is met de inhaalbeweging van de vrouw, wordt kennelijk vergeten dat
ook de man enkel kan presteren vanuit een positief zelfbeeld.
Enerzijds merkt men de hogere honorering van vrouwelijke waarden in het
leerprogramma, alsook in de methodiek. Anderzijds het wegvallen van een
voorbeeldfunctie voor jongens door het toenemend gebrek aan mannelijke
leerkrachten binnen het onderwijzend personeel. Daarnaast moeten zeker ook
de verschillen in leersnelheid tussen jongens en meisjes worden aangehaald,
waar door het bijna veralgemenen van gemengd onderwijs te weinig aandacht
aan wordt geschonken. Een studie rond veertien- en vijftienjarige
leerlingen binnen het gemengd onderwijs toont zo ondermeer een verscherpte
problematiek aan bij meisjes in de pubertijd.
Toch leidt het geheel
van alle factoren vanaf het begin van de schoolcarri�re vooral bij jongens
tot demotivatie. Tevens maken zij het grootste deel uit van de leerlingen
met ADHD (attention deficit and hyperactivity disorder), en worden ze veel
meer dan meisjes door leermoeilijkheden naar specifieke onderwijsstructuren
verwezen.
De vraag is dan ook niet enkel w�t ons onderwijs moet
aanleren, maar vooral hoe ! Talrijke projecten en studies tonen aan dat
doelgericht werken naar jongens toe, zeer positieve resultaten oplevert
zonder hierbij de meisjes achteruit te stellen. Opwaardering van mannelijke
thema�s, kortere lesuren en prestatiegericht werken zijn uiterst effici�nt.
Ook moeten scholen worden aangespoord meer mannelijke leerkrachten aan te
werven. Zonder afbreuk te willen doen aan de waarde van het gemengd
onderwijs, blijkt daarenboven vooral het gescheiden onderwijs de wat
zwakkere leerlingen een rustiger omgeving te bieden, met minder faalangst
tot gevolg.
Zijn alle kinderen gelijk ?
Voortgaand op
de hierboven geschetste problematiek is het antwoord negatief. Wil men
immers komen tot gelijke startkansen voor iedereen, dan moet er met deze
ontwikkelingen rekening worden gehouden. En alhoewel de signalen vanuit de
academische wereld steeds luider weerklinken, is het maatschappelijk
klimaat kennelijk ongunstig.
Meer nog, de wijze van berichtgeving over
onze falende jongens, versterkt hun gebrek aan eigenwaarde nog meer. Veel
opvattingen over jongens zoals ze vandaag de dag door leerkrachten worden
geuit en voor waar genomen, zouden met betrekking tot vrouwen als ronduit
seksistisch worden ervaren. Bepaalde feministische strekkingen laten zich
liever het applaus voor zoveel succes van de meisjes welgevallen, dan de
strijd voor gelijkheid nu ook voor hun zonen verder te zetten. Het is
jammer dat de emancipatie van het ene achtergestelde geslacht enkel heeft
geleid tot het ontstaan van een ander. Dit terwijl het net de bedoeling was
om de ongelijkheid op basis van sekse uit de wereld te helpen.
Besluit.
Scholen moeten trachten opnieuw aansluiting te vinden
bij de leefwereld van jongens. Over de noodzaak kan geen twijfel bestaan,
immers niet enkel schoolresultaten blijken bij doelgerichte acties terug in
de goede richting te gaan. Indien jongens zich in de schoolomgeving thuis
voelen, zijn ze minder vaak betrokken bij geweldplegingen, verliezen ze
zich minder in drank- en drugsverslavingen, en zijn ze minder kwetsbaar
voor zelfmoordneigingen. Zolang men bovendien het succes van meisjes ziet
in termen van de mislukking van jongens, valt er weinig eer te rapen.
2. Overschakelen van een aanbodsonderwijs naar een vraagonderwijs:
De onderwijscheques
De belangrijkste uitgangspunten of
doelstellingen van een degelijk onderwijsbeleid vormen de vrijwaring en/of
versteviging van :
1. de individuele keuzevrijheid en
keuzemogelijkheden voor ouders en hun kind(eren) om voor zichzelf en hun
kind(eren) het, naar hun eigen inzichten, beste onderwijs te kiezen;
2.
het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel voor elk kind;
3. de
gelijkheid van kansen voor elk kind op het vlak van onderwijsmogelijkheden
en -vooruitzichten;
4. de vrijheid van vereniging, van diverse
levensbeschouwingen (recht op diversiteit) en hun mogelijkheden om
onderwijs aan te bieden, voor zover deze levensbeschouwingen niet in strijd
zijn met de grondwettelijke waarden, vrijheden en bepalingen;
5. het
onderscheid tussen de �civil society� en de Staat, aangezien het onderwijs
bijdraagt aan de opvoeding van kinderen tot volwassen mensen of personen,
wat meer inhoudt of betekent dan louter staatsburgers;
6. de effici�nte
en doelmatige aanwending van publieke dienstverlening en financi�le
middelen.
E�n van de instrumenten om deze doelstellingen van een
liberaal onderwijsbeleid te verwezenlijken is de invoering van het systeem
van school- of onderwijscheques als een alternatief voor de huidige
financiering van de schoolnetten.
Het systeem van
onderwijscheques houdt in dat de overheid per kind een bepaald geldbedrag
vrijmaakt, waarna dit aan de school of onderwijsinstelling waarvoor de
ouders of het kind (bij meerderjarigheid) in volle vrijheid hebben of heeft
gekozen, wordt overgemaakt. Tegenover deze onderwijscheques moeten de
schoolgemeenschappen of onderwijsinstellingen een decretaal vastgelegd
basispakket van lesvakken aanbieden.
Daarnaast is het voor vrije
scholen of schoolgemeenschappen toegestaan om alternatieve vormen van
financiering te hebben, bijvoorbeeld binnen het kader van projecten van
publiek-private samenwerking of voor de financiering van lesvakken die niet
door de onderwijscheques gefinancierd worden. Wel zal de decreetgever (het
Vlaams Parlement), ten einde de kwaliteitsverschillen tussen de scholen
binnen de perken te houden, maximumgrenzen aan deze alternatieve vormen van
financiering opleggen.
Wel dient rekening met de volgende
randvoorwaarden gehouden te worden:
1. De hoogte van de
onderwijscheque voor een normale leerling of student staat gelijk aan de
gemiddelde onderwijskost van een leerling of student. Wel kan de overheid
grotere bedragen vrijmaken voor leerlingen met leerproblemen, voor
migrantenkinderen met taalachterstand, leerlingen die beroepsonderwijs
volgen, enz. Via deze �onderwijscheques� blijft het voor de overheid dus
mogelijk om een sociaal en pedagogisch stimuleringsbeleid te voeren.
2. Een pluralistisch en kwalitatief hoogstaand officieel onderwijs moet
als de veruitwendiging van het recht op onderwijs beschouwd worden, en zal
onderwijs kunnen bieden aan zij die niet in de vrije scholen of
schoolgemeenschappen terecht willen of kunnen. Dit officieel onderwijs mag
immers geen leerlingen weigeren, vrije schoolgemeenschappen mogen dit wel.
Dit officieel onderwijs kent dus een minimum aan basisfinanciering die los
staat van de financiering door onderwijscheques. Dit wil niet zeggen dat
het officieel onderwijs volledig door deze basisfinanciering moet
gefinancierd worden. Het moet eerder een gemengd financieringssysteem zijn,
ten einde verspilling tegen te gaan.
3. De democratisch verkozen
Vlaamse overheid (Parlement en Regering) staat in voor het vastleggen van
de eindtermen van het onderwijsprogramma en de basisbeginselen voor
onderwijskwaliteit (vereisten inzake infrastructuur, opleidingsniveau van
de leerkrachten e.d.m.).
3. Secundair onderwijs: TSO
herwaarderen door diploma ASO en TSO gelijk te schakelen en B-attesten af
te schaffen.
Heden ten dage zitten we met een onderwaardering van
het TSO. Dit is niet alleen algemeen geweten maar ook algemeen erkend.
Iedereen is het eens over het feit dat hieromtrent inspanningen moeten
gebeuren, de voorstellen beperken zich echter tot informatie- en
sensibiliseringscampagnes. Een meer fundamentele oplossing dringt zich dan
ook op.
Hoe komt het dat TSO ondergewaardeerd is?
Enerzijds zijn er binnen het TSO bepaalde richtingen die een
�makkelijkere� versie van ASO zijn, hierbij denken we aan handel en
secretariaat-talen. Anderzijds hebben we binnen TSO ook totaal andere
richtingen zoals elektromechanica en textiel. Nu is het gebruikelijk dat,
indien het ASO te �zwaar� blijkt, men afzwakt naar TSO; het zogenaamde
cascadesysteem, waarbij men het huidige jaar niet hoeft over te doen. TSO
is op die manier geen bewuste keuze maar een niveau waar men via de
waterval inglijdt. (ruim 1 op 3 doet dit).
Hieruit volgt dat zo het
TSO ondergewaardeerd wordt.
Hoe pakken we dit probleem aan?
Het secundair onderwijs bestaat uit 3 niveaus: niveau A, niveau A-bis
en niveau B.
Niveau A omvat de huidige ASO, TSO en KSO
richtingen. Niveau A-bis is een vangnet voor diegenen die niveau A niet
aankunnen. Niveau B bestaat uit het voltijds en deeltijds BSO.De eerste
graad (eerste twee jaar) niveau A blijft zoals het nu is nl. ori�nterend
(algemeen voor ASO,KSO en TSO); voor BSO maak je de onmiddellijke keuze.
Na het tweede jaar maakt men een keuze. Vanaf het derde jaar kan men
niet mee switchen binnen niveau A zonder opnieuw hetzelfde jaar in een
andere richting over te doen. (dus: B-attesten vervallen want ASO, KSO en
TSO zijn gelijkwaardig).
Niveau A is een voorbereiding op verdere
studies. De lessen in TSO zullen evenwel praktischer zijn, gegeven de
technische aard van vakken doch blijven zoals ASO op een wetenschappelijke
manier gegeven.
Wat TSO betreft heeft men 2 keuzes. Ofwel gaat men
na 6 jaar verder met hogere studies, ofwel vat men een zevende jaar aan wat
een voorbereiding moet zijn om onmiddellijk op de arbeidsmarkt te treden.
Niveau A-bis (ASO-bis) is voor leerlingen die niet meekunnen in
het ASO maar wel algemene opleiding willen genieten. ASO-bis is dan ook
identiek aan ASO alleen duurt het een jaar extra (7j i.p.v. 6). Dit niveau
moet ook hetzelfde diploma als niveau A opleveren, zij het na 7 jaar.Daar
de leerplicht geldt tot de leeftijd van 18 jaar kan men echter niet
verplichten om de 7 jaar te voltooien, doch zal een sterke incentive
aanwezig moeten zijn. Deze zal er zijn op de arbeidsmarkt daar een diploma
na 6 jaar ASO-bis, lager gewaardeerd en verloond zal worden.
Tot
slot is er nog niveau B. BSO (voltijds en deeltijds) staat volledig los van
dit alles en is een voorbereiding voor een onmiddellijke intrede op de
arbeidsmarkt. Dit kan na 6 jaar of 7 jaar indien men opteert voor een
verdere specialisatie.
DBSO mogelijkheid van deeltijds
werkzoekend afschaffen.
In het deeltijds onderwijs volgen jongeren
15 lesuren per week. Daarnaast moet men deeltijds werken en net daar
wringt het schoentje. Men kan immers op drie manieren ingeschakeld worden
in het deeltijds werken:
1. Met een deeltijdse job
2. Met een
industrieel leercontract
3. Als werkzoekende.
Data leren dat
ongeveer 1 op 6 nooit tewerkgesteld is. Deze jongeren volgen dus wel
deeltijds onderwijs maar zijn daarnaast deeltijds werkloos.
Dit kan
ons inziens niet. Deze jongeren kiezen om te voldoen aan hun leerplicht in
een stelsel van alternerend leren en werken , maar voldoen enkel aan het
deel leren. Deze jongeren komen aldus zeer zwak op de arbeidsmarkt
terecht, ze hebben maar een beperkte opleiding gekregen en hebben deze niet
aangevuld met ervaring op de werkvloer.
Wij stellen voor dat voor deze
jongeren die deeltijds werkloos zijn een oplossing wordt uitgewerkt. Mits
een goede samenwerking tussen scholen en bedrijven, eventueel met steun van
de overheid, moet voor elke jongere in het deeltijds onderwijs een
deeltijdse job worden gevonden. Een andere mogelijkheid is dat jongeren
die deeltijds werkzoekende zijn, opgenomen worden in het voltijds beroeps
secundair onderwijs. Via de praktijklessen in deze opleiding kunnen ze dan
de nodige ervaring opdoen om de stap naar de arbeidsmarkt te zetten.
4. Geen segregatie in het onderwijs
Segregatie bestaat in
alle geledingen van onze samenleving, dus logischerwijs ook in het
onderwijs. Segregatie in het onderwijs resulteert in de ondermijning van
een effici�nt en democratisch onderwijs. Een zeer belangrijk aspect van dit
probleem is het weigeren van allochtonen en de concentratiescholen.
Vandaag de dag is het politiek correct om te pleiten voor een onderwijs
waarin scholen, leerlingen niet mogen en kunnen weigeren. Men kan
argumenteren dat elk kind het recht moet hebben om zich in te schrijven in
de school van zijn of haar keuze. Indien dit een absoluut recht zou zijn
zou dit echter betekenen dat men de ogen sluit voor de problemen die deze
benadering voor gevolg heeft.
De realiteit op het terrein heeft
aangetoond dat bijvoorbeeld scholen die de grens van 30% allochtonen
overschrijden, geconfronteerd worden met een vlucht van autochtone
leerlingen en een verdere toename van het aantal allochtone leerlingen. In
de praktijk zijn er op termijn voor deze scholen vaak maar twee mogelijke
scenario�s: ofwel blijft het aantal allochtonen stijgen en wordt de school
een concentratieschool, ofwel kent de school op termijn een algehele
leegloop en sluit ze haar deuren. Dit doet ons besluiten dat we af moeten
van homogene scholen. Belangrijk is wel dat het niet enkel gaat om
allochtonen maar om doelgroepleerlingen, dus ook kansarme leerlingen,
leerlingen met gedragsproblemen, etc.
Men moet actief streven
naar �evenwichtige� scholen, met andere woorden scholen moeten een
afspiegeling zijn van de samenleving, alle groepen binnen de samenleving
zouden er idealiter zoveel mogelijk moeten �vertegenwoordigd� zijn. Enkel
zo kan men er voor mede voor zorgen dat alle jongeren gelijke startkansen
krijgen en in een schoolomgeving opgroeien die overeenkomt met de realiteit
binnen onze samenleving. In de scholen maximumpercentages op basis van
etniciteit invoeren is uiteraard een niet te tolereren discriminatie. Het
enige aanvaarbare spreidingsbeleid is gebaseerd op een verschil in niveau
voor wat betreft schoolse vaardigheden.
Scholen die allochtone
kinderen, kinderen uit kansarme of sociaal achtergestelde gezinnen enz.
actief weren, kunnen niet langer door de overheid gesubsidieerd worden. Zij
bestendigen de bestaande maatschappelijke sociale en etnische segregatie en
werken de integratie van verschillende groepen in de samenleving en het
samenleven in onze maatschappij tegen.
De procedure die is
uitgewerkt in het gelijkekansendecreet om leerlingen, wanneer een bepaalde
norm is bereikt, door te sturen naar andere scholen is log, steunt op de
goodwill van de scholen en richt zich teveel op etnische afkomst. Ik meen
dat men verder moet durven gaan en moeten komen tot een regeling waarbij
elke school verplicht wordt om leerlingen door te sturen wanneer een
bepaald percentage doelgroepleerlingen bereikt wordt. Anderzijds moet de
overheid de controle op segregatie bij de scholen opdrijven en moet het
onterecht weigeren van leerlingen financieel kunnen worden bestraft.
5. Het afschaffen van de toegangsproef
De discussie rond
de toelatingsproeven is een oude en veelgevoerde discussie waarbij zowat
ieder denkbaar argument reeds op tafel gesmeten is. Door het afschaffen van
de toelatingsproef voor toekomstig burgerlijk ingenieurs, omwille van en te
kleine instroom om de noden van de arbeidsmarkt te kunnen opvullen, wordt
de discussie in verband met de andere toelatingsproeven weer zinvol.
Waar de overheid had gedacht de kwaliteit van de instroom voor de
opleiding burgerlijk ingenieur te verbeteren zonder de arbeidsmarkt te
verstoren, is dit wel even anders uitgedraaid. De VLD had dit reeds lang
ingezien, getuige waarvan de stellingname in verband met toelatingsproeven
op het onderwijscongres van 1997. Jong VLD hoopt dat de Vlaamse regering
niet zal wachten tot hetzelfde probleem zich gaat stellen in andere
opleidingen alvorens maatregelen te nemen.
Wanneer men de instroom
in het hoger onderwijs kwalitatief wenst te verbeteren, moet er actie
ondernomen worden in het secundair onderwijs. Dat dit geen gemakkelijke
opgave is, hoeft niemand te verbazen. Het is echter wel de enige manier om
het beoogde doel te bereiken zonder de arbeidsmarkt te verstoren.
6. Meer aandacht voor deeltijds werken/deeltijds studeren
In
1983 werd, door toenmalige minister van onderwijs Dani�l Coens, de
leerplicht verlengd tot 18 jaar, Er werd ook de mogelijkheid voorzien om in
de laatste graad (dus van 16 tot 18) deeltijds onderwijs te volgen en
deeltijds te werken.
Vandaag moeten we vaststellen dat dit systeem
van deeltijds onderwijs niet voldoet. Daardoor vangt dit deeltijds
onderwijs onvoldoende de schoolmoe� leerlingen op die een grote groep
vormen in het beroepsonderwijs (15 tot 20% van de leerlingen in het
beroepsonderwijs haalt geen getuigschrift). Doordat deze leerlingen niet
langer deelnemen aan het eigenlijke leerproces vormen zij bovendien een
extra belasting voor het lesgevend personeel en een storende factor voor
hun medeleerlingen.
Jong-VLD pleit dan ook voor het uitbreiden en
verbeteren van de mogelijkheden om deeltijds onderwijs te volgen. We denken
daarbij aan het uitbreiden van het aantal dagen dat er gewerkt kan worden,
aan het lesgeven met modules zodat men enkele maanden kan gaan werken en
daarna enkele maanden les kan volgen.
Het beroepsonderwijs dient
ook beter aan te sluiten bij de noden van het bedrijfsleven, om dit te
verwezenlijken moeten de scholen betere contacten hebben en beter
samenwerken met dit bedrijfsleven, dit is voor de beroepsscholen ook de
enige mogelijkheid om hun leerlingen kennis te laten maken met meest
moderne machines en productiemethoden.
Tenslotte moeten er
voldoende mogelijkheden tot levenslang leren worden uitgebouwd voor
leerlingen uit het beroepsonderwijs opdat iemand die was overgeschakeld op
deeltijds onderwijs of die omdat hij (of zij natuurlijk) geen diploma heeft
behaald omdat hij schoolmoe was later in zijn leven de �geleden schade� kan
ophalen.
Stefaan Noreilde, Voorzitter (0477680363)
Alexander Vandermissen, Politiek Secretaris (0478614616)
Dewi Van
De Vyver, Ondervoorzitter (0475737952)
|
[Reageren]
[Persmededeling en reacties op het web nalezen]
Hermes is de gratis persmededelingendienst van Politiek.net
Deze berichten werden verstuurd naar de nieuwsredacties en de abonnees van Hermes. Meer informatie en in- en uitschrijven kan via http://www.politiek.net/hermes of via een berichtje naar [EMAIL PROTECTED].
Hermes is beschikbaar met de volledige persmededeling, een dagelijks overzicht, een wekelijks overzicht, of een dagelijks overzicht gefilterd op sleutelwoorden. Je kan je instellingen wijzigen via Mijn.politiek.net.
Politiek.net is in geen geval verantwoordelijk voor de inhoud van deze mededelingen.
|