Title: 1999-2000 – Nr 28

 

 

 

CD&V STUDIEDAG GELIJKE KANSEN

zaterdag 23 februari 2002

 

POLITIEKE CONCLUSIES

 

 

 

 

1. Dit gelijke kansendecreet is een gemiste kans...

 

Gelijke kansen, een gelijk recht op leren, zijn erg belangrijk in het hele onderwijsdebat. De Minister gaat de uitdaging aan om een initiatief te nemen rond gelijke kansen en dat is een mooie voorzet.

 

Maar zoals de tekst van het decreet nu voorligt, gaat het eerder over onderwijsvoorrang voor bepaalde groepen in onze samenleving dan over gelijke kansen. Wat hier ter tafel ligt, mist doel omdat het een gebrek aan een globale visie heeft. In plaats van gelijke kansen als een geheel aan te pakken, wordt de problematiek opgedeeld in verschillende fases, met naar alle waarschijnlijkheid verschillende uitvoeringsmomenten. Het decreet besteedt geen aandacht aan de brede problematiek van leerstoornissen en leermoeilijkheden en de nood aan zorgverbreding van alle kinderen.

 

Voor CD&V zijn gelijke kansen een totaalconcept voor de ondersteuning van alle leerlingen. Elk kind telt in het onderwijs. Gelijke kansen bieden aan alle kinderen betekent een zorgbrede school waarin rekening wordt gehouden met diversiteit inzake culturele en socio-economische achtergrond, talenten, karakter, leerritmes… en waarin het kind zich goed in zijn vel voelt.

 

 

2. Geen keuze tussen onderwijsvoorrang en zorgverbreding: het is niet “of of”  wel “en en”, beiden zijn immers essentieel!

 

Zoals de zaken er nu voorstaan, schrapt men het zorgaanbod in scholen die geen 10 % doelgroepleerlingen hebben. Kinderen verliezen extra ondersteuning, telt de onderwijskansarmoede van deze kinderen dan helemaal niet mee?

Men doet dit om het nieuwe decreet te kunnen financieren. En dat kan niet. Men kan niet zomaar vanaf september alvast initiatieven schrappen met de belofte dat die wel in een volgende fase zullen herbekeken worden. Men kan niet deel I over onderwijsvoorrang goedkeuren zonder enige indicatie dat deel II over zorgverbreding en deel III over inclusie ook maar in de steigers staan. Er bestaat geen enkele budgettaire garantie naar de toekomst toe. Er hangt zelfs geen prijskaartje vast aan dit decreet.

 

Als men de ambitie opvat om een gelijke kansenbeleid te voeren voor alle kinderen, dan moet men hoe dan ook de nodige middelen voorzien en de problematiek als een geheel beschouwen.

 

CD&V zegt dan ook heel duidelijk:

 

-          Kosteloosheid van het leerplichtonderwijs is ons uitgangspunt, men moet uitvoeren wat in het Regeerakkoord staat

-          Elke school moet een basispakket aan financiering ontvangen om een zorgbreed beleid te kunnen voeren. Scholen met een grote behoefte aan zorgverbreding omwille van kinderen met leermoeilijkheden of leerstoornissen moeten bijkomende financiering kunnen ontvangen. Als onderdeel van die basisfinanciering hebben basisscholen recht op een interne zorgco�rdinator, die steun kan bieden aan de leerlingen en het schoolteam. Het is immers bewezen dat leermoeilijkheden en leerstoornissen bij kinderen aanwezig zijn in elke school.

-          Dit gelijke kansendecreet kan niet worden uitgevoerd met een gesloten enveloppe.

-          Bovendien pleiten wij voor een gelijktijdige realisatie van alle onderdelen van de gelijke kansenproblematiek met het oog op een coherente visie.

 

We zijn zeer verontrust over de huidige gang van zaken en hopen dat andere fracties deze ongerustheid delen!

 

 

3. Het nieuwe non-discriminatiebeleid mag geen conflictmodel zijn maar moet een overlegmodel zijn

 

De eigenlijke aanzet tot dit gelijke kansendecreet is het op zijn einde lopen van het non-discriminatiepact. Het non-discriminatiepact heeft heel wat positieve zaken teweeggebracht en heeft de aandacht gevestigd op de integratie van allochtone kinderen. Desondanks bestaan er nog “witte” scholen van alle netten in multiculturele buurten. En hieraan wil het decreet verhelpen door een decretale verankering van het inschrijvingsrecht. Vraag is alleen: lost dit decreet dat probleem op?

Het antwoord is neen, deze scholen hanteren immers onzichtbare drempels. CD&V gelooft dat samenspraak en overleg tussen de scholen kunnen leiden tot resultaten. De juridisering van deze problematiek is niet de juiste oplossing.

 

Uitgangspunt van CD&V is het belang van elk kind. Elk kind moet ook het recht krijgen zich in te schrijven in de school van zijn keuze. Dat recht wordt sowieso verzekerd door art.24 van de Grondwet en art.31 van het decreet op het Basisonderwijs. Alle kinderen verdienen optimale onderwijsomstandigheden in scholen waarin ze zich goed voelen.

 

Het recht op inschrijving mag evenwel geen afbreuk doen aan de vrijheid van initiatief en aan de vrije inrichtende macht. Elk schoolproject moet zijn kans krijgen. Vrije scholen zijn een dynamisch initiatief van ge�ngageerde mensen. Zij zijn noodzakelijk voor een veelzijdig aanbod aan visie en pedagogisch project.

 

Als ouders kiezen voor een school, moeten zij bewust kiezen voor het pedagogisch project van die school en dit onderschrijven.

 

 

 

Artikel 24 van de grondwet: �1. Het onderwijs is vrij; elke preventieve maatregel is verboden; de bestraffing van de misdrijven wordt alleen door de wet of het decreet geregeld. (…)

 

Artikel 31 van het decreet op het basisonderwijs: � 1. Een schoolbestuur moet de inschrijving weigeren van leerlingen die niet voldoen aan de toelatingsvoorwaarden zoals bedoeld in de artikelen 12 tot 19 (leeftijd, duur…) � 2.Een schoolbestuur van het gesubsidieerd vrij onderwijs kan om andere redenen een inschrijving van een leerling weigeren mits schriftelijke motivatie aan de betrokken ouders binnen de 4 kalenderdagen.

Een inschrijving kan in geen geval geweigerd worden op grond van criteria die onbetamelijk zijn en waardoor de menselijke waardigheid in gedrang komt.

 

 

Het intake- gesprek van de directie met de ouders op het moment van de inschrijving is van cruciaal belang. CD&V wil dat scholen zeer veel aandacht aan de intake besteden in het belang van het kind. Liever een aantal grondige gesprekken bij de start dan probleemsituaties tijdens het schooljaar.

 

CD&V pleit voor open scholen, scholen die openstaan voor alle kinderen en die kunnen tegemoet komen aan de noden van elk kind.

Scholen die bijvoorbeeld een multicultureel project willen uitvoeren, moeten daar ook de kans toe krijgen. Optimaal om een multicultureel project te handhaven is een bovengrens te kunnen hanteren voor anderstaligen, een bovengrens die weliswaar erg regionaal –en wijkgebonden kan zijn. Drijfveren van ouders, zowel autochtone als allochtone ouders, om te kiezen voor een school zijn duidelijk: ze

zoeken een school met visie. Een school waarin hun kind maximale kansen krijgt in een sfeer van integratie en wederzijdse culturele uitwisseling. Elke school moet duidelijke inspanningen leveren naar integratie toe. Raakt de school uit balans en zijn te veel doelgroepleerlingen met leer- en taalachterstand geconcentreerd, dan dreigt men niet enkel af te stevenen op een zogenaamde “witte vlucht” maar ook op een “zwarte vlucht” om uiteindelijk te belanden in een leegloop van de school. En daar vaart geen enkel kind wel bij.

Dit sluit niet uit dat concentratiescholen, als ze er zijn, ook kwaliteitsvol onderwijs kunnen bieden. Daar waar ze bestaan zijn concentratiescholen dikwijls een weerspiegeling van de bevolking in de wijk waarin ze gelegen zijn. Wel lopen de leerlingen er misschien een groter risico op leerbedreiging. Vandaar dat extra ondersteuning nodig is.

 

Scholen moeten de kans krijgen om hun onderwijsproject als multiculturele school te realiseren. CD&V stelt voor om de multiculturaliteit van scholen te handhaven rekening houdend met de draagkracht van de school en omgevingsfactoren. De draagkracht is te bepalen aan de hand van parameters zoals het aantal leerlingen met leermoeilijkheden, taalachterstand, socio-economische achtergronden...CD&V vraagt om scholen in onderling overleg een bovengrens te laten bepalen indien ze dat nodig achten. De school kan dan het voorstel van bovengrens toetsen aan het lokaal overleg. Die bovengrens hoeft niet voor elke school noodzakelijkerwijze dezelfde te zijn.

 

Het cre�ren van lokale overlegplatforms, zoals bepaald in het decreet, doet heel wat vragen en bedenkingen rijzen. Door hun groot aantal actoren zullen de platforms evolueren tot grote mastodonten die wel erg moeilijk werkbaar zullen zijn. Bovendien kan men niet toelaten dat het lokaal overlegplatform de werking van de school juridiseert. Scholen hebben geen nood aan extra werkdruk.

Men kan zich afvragen of een dergelijke nieuwe, richtinggevende  begeleidingsstructuur die zeer zwaar top down is, te verkiezen is boven de know how van de bestaande structuren in het Departement Onderwijs?

CD&V wil niet zomaar voorbijgaan aan de bestaande competenties op het terrein. Scholen verdienen ons vertrouwen.

 

CD&V gelooft dat het lokaal overlegplatform een nuttig instrument is om wegen te vinden om ouders beter te ondersteunen en om creatief de relaties tussen de school en de omgeving te optimaliseren. De Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB) zijn hierin een actieve participant en niet enkel een doorverwijsinstantie. Het lijkt wel of het CLB door de overheid vergeten is. Scholen hebben vooral nood aan extra ondersteuning opdat hun schoolproject ook echt gedragen wordt door de omgeving. Daarin speelt het CLB een cruciale rol.

 

Kortom, CD&V vindt dat:

 

-          Een decretale verankering van het inschrijvingsrecht kan, maar gepaard moet gaan met overgangsmaatregelen, vb een periode van 5 jaar, na dewelke een evaluatie kan gemaakt worden.

-          het inschrijvingsrecht hand in hand moet gaan met een sensibiliserend beleid naar ouders toe.

-          scholen en ouders een inspanningsverbintenis moeten aangaan in het belang van elk kind. De school doet inspanningen met betrekking tot integratie en de ouders om de schoolloopbaan van hun kind zo goed mogelijk op te volgen. De inspanningsverbintenis moet zich uiten in concreet meetbare resultaten.

-          multiculturele scholen de kans moeten krijgen hun project te handhaven, indien ze dat willen met een variabele bovengrens volgens bepaalde parameters.

-          het lokaal overlegplatform een werkbaar instrument moet zijn, met gelijkwaardige participanten en dat het niet mag leiden tot een verdere juridisering en oeverloos vergader.

-          indien een leerling wordt doorverwezen naar een andere school, de overheid de kosten van het leerlingenvervoer op zich neemt.

 

Voor CD&V geen conflictmodel maar wel een overlegmodel.

 

 

4. Inclusief en buitengewoon onderwijs: een tweesporenbeleid op maat

 

De mogelijkheden van inclusief onderwijs zijn voldoende aangetoond, het is duidelijk dat een inclusief beleid voeren een mooi streefdoel is. Inclusie ligt in het verlengde van de zorgbrede school, zorg op maat van elk kind, een maximale ontplooiing volgens de mogelijkheden van elk kind. Vanuit de visie dat elk kind centraal staat, ijvert CD&V uiteraard voor zorgbrede, gewone scholen, waarin alle kinderen, ook kinderen met specifieke onderwijsbehoeften, op de nodige deskundigheid en ondersteuning kunnen rekenen.

We zijn ervan overtuigd dat vandaag heel wat kinderen in het buitengewoon onderwijs zitten die daar niet thuishoren en die mits de aangepaste begeleiding zeker hun plaats in de gewone school kunnen innemen. Als we ons de ideale situatie trachten voor te stellen, zou men het individuele leertraject van het buitengewoon onderwijs, het rugzakje, moeten kunnen realiseren in alle scholen,

ongeacht de types, om optimale kansen te bieden aan alle leerlingen.

Inclusie is een concrete utopie gezien het kostenplaatje en de individuele noden van elk kind.

 

Naast gewone scholen zal ook de expertise en de werkwijze van het buitengewoon onderwijs broodnodig blijven om aan alle kinderen, naar gelang hun mentale mogelijkheden of hun specifieke karaktertrekken, een passend onderwijs te bieden.

 

CD&V wil:

 

-          inclusie waar mogelijk en buitengewoon onderwijs waar nodig: een tweesporenbeleid op maat.

-          inclusie niet als 3e wagon aan de gelijke kansentrein hangen, er kan maar ��n gelijke kansendecreet zijn dat gelijke kansen beoogt voor alle kinderen.

 

 

5. Brussel: specifieke aandacht voor taalachtergrond van alle kinderen

 

De Brusselse schoolpopulatie van het Nederlandstalig onderwijs is zeer heterogeen, multicultureel en overwegend meertalig. Veel kinderen komen uit taalgemengde of ��ntalig anderstalige gezinnen, ook uit ��ntalig Franstalige gezinnen. Van deze kinderen is het Nederlands niet de thuistaal maar enkel en alleen de schooltaal. Er is een toestroom te constateren van anderstalige leerlingen naar het Nederlandstalig onderwijs in Brussel en dit met verstrekkende gevolgen.

Reden is de vrijheid van gezinshoofd, de wettelijke bepaling die sinds 1971 in Brussel van kracht is. Ouders kunnen vrij kiezen voor het Nederlandstalig of het Franstalig onderwijsaanbod in de hoofdstad. Het is deze wet die in grote mate het open toelatingsbeleid in Brussel bepaalt. Eigenlijk zijn we verheugd over het succes van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel. Dit bevestigt de aantrekkelijkheid en de kwaliteit van ons onderwijs.

 

Maar het decreet houdt onvoldoende rekening met de specifieke situatie in Brussel. In dit nieuwe decreet I krijgt de gelijke kansenindicator dat de thuistaal van de leerling niet het Nederlands is, op zich geen gewicht. Enkel wanneer de taalfactor gekoppeld wordt aan andere, vaak socio-economische indicatoren wordt hij in aanmerking genomen. In Brussel zitten veel Franstalige kinderen die niet uit een kansarm milieu komen en ook niet tot de allochtone bevolkingsgroep behoren, op de schoolbanken in een Nederlandstalige klas. Voor de opvang van deze kinderen krijgen de scholen geen extra middelen hoewel de anderstaligheid wel degelijk een extra belasting is.

In het benaderen van de gelijke kansenproblematiek en het uitwerken van beleidsmaatregelen in Brussel, kan men niet een hoofdzakelijk Nederlandstalige schoolpopulatie als uitgangspunt nemen zoals elders in Vlaanderen. De realiteit is immers dat de Nederlandstalige kinderen een minderheid zijn, dit zeer uitgesproken in het Basisonderwijs en in zekere mate ook in het Secundair Onderwijs.

 

CD&V wil:

 

-          in Brussel een gewicht toekennen aan elk kind waarvan de thuistaal niet het Nederlands is.

-          een inspanningsverplichting aan ouders vragen. Naast het engagement voor het pedagogisch project, moet men ook een expliciet engagement vragen van anderstalige ouders om Nederlands te leren, zodat ze de schoolprestaties van hun kind beter kunnen opvolgen en kunnen communiceren met het schoolteam. Het Nederlandstalig onderwijs in Brussel mag en moet een engagement voor het Nederlands vragen. In Brussel bestaan immers twee volledig uitgebouwde onderwijsnetten naast mekaar.

 

 

6. Slotwoord

 

Gelijke kansen zijn ongetwijfeld een heel belangrijk thema. T� belangrijk om lichtzinnig mee om te springen.

Wanneer een gelijke kansendecreet kansen ontneemt aan kinderen, schept het nieuwe ongelijkheden.

Alle kinderen verdienen tegelijkertijd aandacht. Kinderen mogen niet terechtkomen in een slecht scenario en een nog slechter vervolgverhaal.

 

Deze bezorgdheid enkel in het Parlement uiten, zal wellicht niet voldoende zijn om het decreet aan te passen. Slechts een brede maatschappelijke reactie verhoogt de kans op resultaat. En daarin speelt u een belangrijke rol. Het zijn uw en alle kinderen en leerlingen die hiervan de vruchten zullen plukken…

 

 

 

Tekst uitgesproken door Vlaams volksvertegenwoordiger Brigitte Grouwels

 

 

 

 

 

 

Vlaams Parlement

1011 Brussel

Tel. 02 / 552 13 62

Fax 02 / 552 16 11

E-post: [EMAIL PROTECTED]

PAGE=A0

 

PAGE=A0 4

 

Antwoord per e-mail aan