Hermes Persmededeling
Goed Wonen is een mensenrecht
| Organisatie: | CD&V |
| Verstuurd door: | Luk Vanmaercke |
| E-post: | [EMAIL PROTECTED] |
| Internet: | http://www.cdenv.be |
| Telefoon: | (02) 238 38 75 |
| Telefax: | (02) 238 38 60 |
| Datum: | 13-02-2002 |
Goed Wonen is een Mensenrecht
CD&V Strijdpunten voor
Woonbeleid
I. Goed Wonen is een Mensenrecht
Christen-democratische basisprincipes inzake wonen
II. Zeven
strijdpunten voor Woonbeleid
1. Zeggenschap over wonen en
woonomgeving
2. Wonen in functie van financi�le draagkracht van
jonge gezinnen
3. Wonen en zorg op maat
4. Stedelijke
woonkwaliteit
5. Groene woonwensen
6. Wonen in dorpen
en landelijk gebied
7. Ruimtelijke behoeften voor wonen
III. Meer centen – Beter beheer
1.
Financieringsmechanismen: vereenvoudiging
2. Opschaling en
integratie van sociale huisvestingsmaatschappijen
3.
Optimalisering en rationalisering van het huisvestingslandschap
3.1. Inschakelen van sociale kredietvennootschappen in een
samenwerkingsstructuur met de bouwmaatschappijen
3.2. Inschakelen van
de sociale verhuurkantoren in een samenwerkingsstructuur met de
bouwmaatschappijen
3.3. Inschakelen van intercommunales bevoegd voor de
huisvesting
4. Naar ��n-loket-woonbeleid
4.1. De gemeente
als eerstelijnsdienstverlening op het vlak van woonbeleid
4.2. De rol
van de gemeente in het toewijzingsbeleid
5. Herbestemming taken en
opdrachten Vlaamse Huisvestingsmaatschappij
6. Herziening van de
opdracht van het Vlaams Woningfonds
Goed Wonen is een
Mensenrecht
CD&V Strijdpunten voor Woonbeleid
I. Goed Wonen is een Mensenrecht
Iedereen heeft recht op
een betaalbare en kwalitatieve huisvesting, stelt de Vlaamse Wooncode. Dit
is ook het uitgangspunt van de CD&V-visie op wonen: “Elk
gezin, ongeacht de samenstelling ervan, heeft recht op een aangepaste,
kwaliteitsvolle woongelegenheid in een aangename leefomgeving”.
Waarom is goed wonen voor CD&V zo belangrijk?
Omdat goed
wonen voor elk jong gezin meer is dan een dak boven het hoofd hebben.Het
gaat ook over leven, leren, slapen, werken, zich ontspannen … in
een woning. Goed wonen is de basis voor de persoonlijke ontwikkeling van
elke mens. Sinds de laatste 60 jaren is de sociale huisvesting ook
ge�volueerd van het bouwen van sociale woningen in bepaalde wijken naar een
ge�ntegreerd woonbeleid met aandacht voor de zorg, de kwaliteit, de
leefomgeving, de inspraak en de ruimte.
Goed wonen is een recht voor
iedereen; om die reden heeft de overheid de plicht inspanningen te blijven
leveren naar mensen toe wiens financi�le draagkracht niet toelaat om voor
die eigen woning te zorgen. De huidige sociale huisvestingsmaatschappijen
zijn de partners bij uitstek van de overheid om dit te realiseren. Deze
sociale huisvestingsmaatschappijen zouden de volgende jaren moeten kunnen
evolueren naar een nieuw concept van geprofessionaliseerde
Woonmaatschappijen.
De meeste Vlamingen proberen deze
doelstelling te realiseren door een eigen woning te verwerven. Om die reden
kiest CD&V voluit voor de eigendomsverwerving. Wonen wordt alsmaar
duurder voor jonge gezinnen, zelfs onbetaalbaar aangezien de prijzen van
gronden en woningen de voorbije tien jaren beduidend sneller zijn
toegenomen dan de inkomens. Dit heeft tot gevolg dat ook de jonge mensen
met een gemiddeld inkomen steeds minder terecht kunnen op de gewone
woonmarkt en zich dienen te richten naar de sector van de sociale
woningbouw om een degelijke betaalbare woongelegenheid te kunnen vinden.
Een steeds groeiend aantal gezinnen heeft financi�le hulp en/of andere
vormen van ondersteuning nodig om een betaalbare en kwaliteitsvolle woning
te kunnen verwerven.
Voor een steeds groter wordend deel van de
bevolking is het, zelfs met een substanti�le tussenkomst vanwege de
overheid, niet meer mogelijk om een eigen woning te verwerven. Deze mensen
dient de overheid te steunen via substanti�le tussenkomsten in de sociale
huursector. Het feit dat het aanbod aan sociale huurwoningen onvoldoende
groot is om alle sociaal-gerechtigden een woongelegenheid te kunnen
aanbieden, moet er in deze toe aanzetten om de realisatie van sociale
huurwoningen sterk op te drijven.
Een Vlaams woonbeleid op
maat van woningzoekenden en regio’s
Het woonbeleid moet
meer en meer wetenschappelijk onderbouwd worden (woonbehoeftenstudies,
doelgroepenonderzoek, enz.) zodat een beleidsvisie met planmatige aanpak op
langere termijn kan ontwikkeld worden.
Met het Structuurplan
Vlaanderen werd een grote stap gezet in het beheer van de beschikbare
ruimte. Het te voeren woonbeleid moet mee bewijzen dat Vlaanderen haar
structuurplan ernstig neemt en moet actief bijdragen tot de realisatie van
de basisdoelstellingen ervan. De toevalligheid bij het inspelen op
opportuniteiten die zich aandienen moet plaats maken voor doelgerichte
voorrang voor inbreiding, kernversterking, renovatie en vernieuwbouw,
evenwel rekening houdend met de eigenheid van iedere regio.
Het
huidige sociale huisvestingsbeleid is te veel gebaseerd op statistische
gemiddelden. Een dergelijk gemiddelde is evenwel een louter theoretisch
gegeven. De gemiddelde bewoner, de gemiddelde buurt, bestaat niet in de
praktijk. Het beleid moet voldoende oog hebben voor regionaal
uiteen-lopende behoeften in plaats van ze te defini�ren vanuit statistische
gemiddelden. De behoeften in de verschillende Vlaamse regio’s
zijn immers sterk verschillend. Een grootstad heeft andere noden dan een
plattelands-regio.
In bepaalde regio’s zijn de
renovatiebehoeften groot; andere regio’s is er vooral nood aan
meer nieuwbouw. Een centraal gevoerd beleid zal dus nooit de meest
optimale resultaten opleveren.
CD&V kiest daarom in de
woonsector voor maatwerk, gebaseerd op gegevens eigen aan de verschillende
Vlaamse regio’s voor elke woonconsument, bijgevolg de te volgen
weg.
II. Zeven CD&V strijdpunten voor Woonbeleid
1. Zeggenschap over wonen en woonomgeving
Anno 2002
zou het evident moeten zijn dat mensen, kandidaat kopers of huurders
betrokken worden bij de totstandkoming van nieuwe woningbouw en vica versa
zouden de bouwheren – de woonmaatschappijen - meer de
natuurlijke reflex moeten ontwikkelen om alvorens zij met een project van
start gaan, hun toekomstige huurders of eigenaars indien zij aan de
voorwaarden voldoen te bevragen en inspraak te verlenen.

de mensen moeten overtuigd worden dat zij zelf aan de basis liggen en
verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun woning en omgeving. Zij kunnen
zich gaan verenigen op het niveau van de buurt in een wijkraad, in een
gemeente in een woonraad, of op hoger niveau in een huurdersbond.
De
huurdersbonden zijn de belangenverdedigers van de bewoners, de gebruikers
van de (sociale) woningbouw. Ze dienen dan ook volledig onafhankelijk de
belangen van de bewoners te kunnen verdedigen.. Hun bereikbaarheid en
toegankelijkheid moet zeer groot zijn.
 de bouwheer of
aanbieder van woningen en woondiensten zou zich meer klantgericht moeten
opstellen. Woon-consu-men-ten zouden betrokken moeten kunnen worden bij de
totstandkoming van planningsprocessen en het ontwikkelen van nieuwe
woningen.
- Bij de totstandkoming van het concept van sociale
huurwoningen zouden kandidaat-huurders ge�nfor-meerd en bevraagd kunnen
worden over de opmaak van de ontwerpen. Dit zou bijv. perfect kunnen via
eigentijdse kanalen zoals het internet waar zij exclusief toegang zouden
kunnen hebben tot de ontwerpen en op een interactieve manier inspraak dat
richtinggevend kan zijn zonder een bindend karakter te hebben kunnen
hebben.
- Voor sociale koopwoningen zou een gemeentelijke woonraad
inspraak kunnen hebben in de ontwikkeling van de woonconcepten om te komen
tot een optimale ontwikkeling van een woonomgeving en woningen in functie
van de bewoners en de eigenheid van de gemeente.
 De
overheid zou de woonconsument beter kunnen informeren in de vorm van
woonwinkels waar de consument informatie en advies kan inwinnen over het
aanbod van woningen en gronden zowel op de huur- als koopmarkt en op het
vlak van de zorg. Deze woonwinkel zou zo dicht mogelijk bij de mensen
moeten staan nl. op het gemeentelijke niveau.
De overheid heeft er
alle belang bij dat zij haar diensten via ��n loket aanbiedt in de vorm van
een Loket Bouwen, Renoveren en Wonen waar de woonconsument terecht kan met
al zijn vragen over subsidiesystemen, toegankelijkheid van organisaties,
administratieve procedures…
2. Wonen in functie van
financi�le draagkracht van jonge gezinnen
Zoals reeds hoger
gesteld moet iedereen over een degelijke woning kunnen beschikken. De
financi�le draagkracht van de mensen is evenwel niet gelijk, verre van
zelfs.
Dat betekent dat bepaalde categorie�n van mensen proportioneel
een zeer groot aandeel van hun inkomen aan wonen dienen te besteden; in die
mate zelfs dat na het afbetalen van een hypothecaire lening of het betalen
van de huur er praktisch geen financi�le ruimte meer overblijft om verder
nog een enigszins normaal leven te leiden.
De woning die bescherming
en geborgenheid moet bieden, wordt op die manier een last. De overheid
heeft hier een belangrijke rol te vervullen. Jonge gezinnen hebben recht op
een betaalbare woning zodat ze op die manier een thuis kunnen uitbouwen.
Jonge mensen die een woning bouwen of kopen moeten onder-steund worden
om hun woonwensen financieel haalbaar te maken.
CD&V kiest
heel duidelijk voor:
 Een aanpassing van de nieuwbouw-
en renovatiepremie voor particulieren waarbij een substanti�le premie
vooral ten goede komt aan de lagere inkomensgroepen en daarom dus ook
inkomens-gerelateerd moeten worden.
 Een selectieve
invoering van een tegemoetkoming in de kosten (registratierechten, ereloon
notaris, aktekosten,…) voor de aankoop van een woning
 De sociale leningen toegankelijker maken. Voor de
terugbetaling van de lening moeten ook meer soepele regelingen mogelijk
zijn zoals een systeem voor uitstel van betaling van de sociale lening; een
verlenging van de looptijd wanneer de terugbetaling gedurende een bepaalde
periode moeilijk wordt.
 Een huursubsidie voor de
minst-begoeden: heel wat alleenstaanden en/of gezinnen zullen ondanks een
beduidende verhoging van de premies toch niet in de mogelijkheid zijn om
een eigen woning te verwerven, maar is ook het patrimonium van de sociale
huursector beduidend ontoereikend om al deze sociaal-gerechtigden de woning
te bieden waarop ze recht hebben. Het private woningbestand dient om die
reden noodgedwongen nog geruime tijd mee ingeschakeld te worden via een
stelsel van huursubsidies voor de allerlaagste inkomens (bv. minder dan
400.000 frank).
Mensen die huren op de private marktmoeten –
in functie van hun inkomen – dan ook ondersteund kunnen worden
zodat het betalen van de huurprijs binnen hun mogelijkheden blijft.
Het toekennen van een huursubsidie is in deze dus een belangrijk
instrument. De concrete toepassing ervan moet evenwel op een zeer
doordachte manier gebeuren omdat een veralgemening van de huursubsidies
voor de Vlaamse belastingbetaler niet haalbaar is.
Er moet immers over
gewaakt worden dat het de huurders zijn, en niet de eigenaars die van een
dergelijk systeem de vruchten plukken. Vooral een veralgemeend systeem van
huursubsidies houdt dat risico in. Vanaf het ogenblik dat geweten is dat
een kandidaat-huurder gesubsidieerd zal worden voor zijn huurgeld is de
verleiding voor de eigenaars bijzonder groot om vervolgens hun huurprijzen
naar boven aan te passen, met als gevolg dat de huurder geen stap verder
komt.
Voor de CD&V kunnen huursubsidies enkel op voorwaarde dat ze
toegekend worden aan de meest behoeftigen en dat dit instrument wordt
gebruikt om er dan ook over te waken dat aan deze mensen een woning wordt
aangeboden op de private sector van voldoende kwaliteit en aan een
waarde-overeen-komstige prijs.
 Het huidige stelsel
van de verzekering tegen inkomensverlies dient behouden en uitgebreid te
worden. De overheid heeft de taak om de mensen zo goed mogelijk te
informeren wanneer zij beslissen een woning aan te kopen. Aangezien de
verzekering tegen inkomensverlies in werking treedt op het ogenblik dat
mensen moeten leven van een vervangingsinkomen door bv. werkloosheid is het
raadzaam om de franchise van 10.000 frank te laten vallen.
3. Wonen en zorg op maat
Iedereen wenst zo lang mogelijk
– zelfstandig – in zijn/haar vertrouwde omgeving te
blijven wonen. Voor mensen op een reeds gevorderde leeftijd is het evenwel
niet altijd even eenvoudig om zelfstandig in de eigen woning te blijven
wonen. Vaak is deze niet aangepast aan de ongemakken die een verminderde
mobiliteit met zich meebrengen. Onder impuls van de vorige regering werd
er overigens reeds diepgaand onderzoek verricht naar de woonnoden van
ouderen. Dat onderzoek resulteerde in een “Handboek wonen van
ouderen” en in een studie “Keerpunten in de
woongeschiedenis van ouderen”, beide daterend van september 1998.
In het onderzoek van een aantal jaar geleden “Het
onderzoek naar de doelgroepen van het woonbeleid” en
“Het onderzoek naar de kwaliteit van de woningen” komt
de woonsituatie van ouderen als problematisch naar voor. Bijna de helft
van alle minderwaardige woningen in Vlaanderen wordt bewoond door ouderen.
Deze groep wordt ook alsmaar groter. In 2010 zal 25 % van de Vlaamse
bevolking ouder zijn dan 60 jaar; tegen het jaar 2020 zal dat percentage
opgelopen zijn tot 30 %.
Daarnaast stelt zich ook de problematiek van
opvangvoorzieningen voor dak- en thuislozen waar de problematiek van wonen
en zorg hand in hand gaan. Dergelijke woonvormen zijn vaak een eindstation
voor mensen met psychische problemen, verslavingen of gedragsstoornissen.
3.1 Probleemschets
 Een aanzienlijk deel
(zowat 2/3) van de ouderen is eigenaar van de eigen woning. Die eigen
woning vertoont evenwel vaak meerdere kwaliteitsproblemen. De uiterlijke
kwaliteit van de woningen is vaak niet hoog; er zijn heel wat technische
gebreken waar de bewoners niet meer aan remedi�ren en ook de
comfortvoorziening (elementair basiscomfort zoals stromend water, wc, bad,
verwarming,…) in die woningen is vaak onvolledig. Het comfort
dat ouderen nodig hebben, vooral wanneer zij in een situatie van toenemende
zorgbehoevendheid de zgn. zorgbehoevende ouderen” terechtkomen,
is er niet voorhanden.
Het aantal woningen van slechte kwaliteit dat
door ouderen wordt bewoond, wordt geraamd op 145.000. Het feit dat de
meeste ouderen ook eigenaar zijn van de woning die zij bewonen, maakt het
ook moeilijk om deze te motiveren om de stap te zetten naar een meer
aangepaste woongelegenheid.
 Oudere dak- en thuislozen
kunnen vaak niet meer verzorgd worden in hun vertrouwde opvangvoorziening
omdat de gebouwen en het personeel hier niet op voorbereid zijn. Door hun
specifiek gedrag of verslavingsproblemen passen ze vaak niet tussen de
bewoners in de reguliere ouderenzorg. Het personeel is zelfs niet getraind
in de omgang met deze mensen.
3.2 Te nemen maatregelen
Iedereen moet kunnen wonen waar hij wil en daar ook alle nodige zorgen
kunnen krijgen. Er zal een grondige mentaliteitswijziging in de woonsector
moeten komen waarbij wonen en zorg onlosmakelijk met elkaar verbonden
moeten worden.
Dit houdt in dat de CD&V pleit voor:
-
Het bouwen van nieuwe woningen op de wijze en op de plaats die toelaat dat
zorgverstrekking mogelijk is – levensloopbestendige en
toe-gankelijke woningen;
- De renovatie en de opwaardering van de
bestaande woningvoorraad en de inplanting van diensten en
zorg-voorzieningen zodat ook de situatie van de bewoners van de bestaande
woningen opgewaardeerd wordt.
- Het cre�ren van
samenwerkingsverbanden tussen woon-maatschappijen die zorgen voor de
gebouwenexploitatie van de opvangvoorzieningen, zorginstellingen die voor
de juiste zorg zorgen en maatschappelijke opvang voor begeleiding
Concreet houdt dit in dat er aandacht dient te gaan naar :
-
het aanmoedigen van het aanpasbaar wonen. Dat betekent dat zowel de
woningen als de woonomgeving voorzien zijn op een vermindering van de
fysieke conditie van de bewoners. Het betekent ook dat men uiteindelijk
komt tot wat een “levenslange” woning kan genoemd
worden met woningen die veilig, comfortabel en toegankelijk zijn; woningen
waarin men zich op elke leeftijd goed voelt. Op het ogenblik dat zorg
noodzakelijk wordt, moet de woning daarop voorzien zijn. Dit zou kunnen
door het opleggen van minimumcriteria voor te bouwen en/of te renoveren
woningen;
-
- het bieden van ontwikkelingskansen voor nieuwe
woonvormen : kangoeroewonen, duplexwonen, groepswonen, aanleunwoningen,
inleun-woningen, serviceflats, beschermd en beschut wonen;
- de
aanpassing van de reglementeringen en de financieringssystemen zodat
projecten die de aansluiting maken tussen wonen en zorg (wonen en welzijn)
niet alleen mogelijk, maar zelfs de regel worden;
- het
organiseren van gestructureerd overleg tussen de huisvestings- en de
welzijnssector, met grote betrokkenheid van de ouderen zelf, om permanent
te zoeken naar antwoorden op nieuwe uitdagingen en om daadwerkelijke
vernieuwingen mogelijk te maken.
- woonmaatschappijen moeten in
hun investeringsprogramma duidelijk aangegeven hoe zij invulling geven aan
betaalbare en levensloopbestendige woningen in het kader van wonen en zorg.
- gemeenten moeten in hun uitvoeringsplannen voldoende ruimte
reserveren voor kleinschalige woonzorgvoorzieningen.
Deze
doelstellingen zijn zeker niet eenvoudig te realiseren. Een oplossing
hiervoor kan bestaan in de oprichting van een Woonfonds waarin een gedeelte
van de middelen bestemd voor woon- en welzijnsinitiatieven worden
ingebracht. De besteding ervan zal dan binnen geobjectiveerde criteria
kunnen gebeuren onder toezicht van een overlegplatform tussen de
huisvestings- en de welzijnsactoren met respect voor de eigenheid van
ieders inbreng: de huisvestingsactoren voor de realisatie, de
welzijnsactoren voor het beheer.
4. Stedelijke woonkwaliteit
Vele jonge gezinnen ontdekken stilaan dat wonen in een stad
bijzonder aangenaam en leuk kan zijn. Er zijn vandaag echter nog te weinig
stimuli om jonge mensen inderdaad naar onze steden te kunnen lokken:
CD&V stelt voor:
* Een substanti�le renovatiepremie zou
een hefboom voor jonge mensen kunnen zijn bij de overweging om een woning
of een loft in de stad te kopen.
* Er moet echter dringend meer
werk moet gemaakt worden van de stedelijke kwaliteitsbewaking en de krot-
en leegstands-bestrijding. De krotten in Vlaanderen moeten verdwijnen !
E�n van de kerndoelstellingen van de Vlaamse Wooncode was een
doorgedreven kwaliteitsbewaking.
Sedert ruim vijftien jaar wijzen alle
studies uit dat deze problematiek van ernstige gebreken en leegstand een
omvang kent van 300.000 woningen in Vlaanderen.
Enerzijds moet
vastgesteld worden dat dit cijfer niet substantieel daalt en anderzijds dat
met het huidige beleid slechts 10 % ervan effici�nt bestreden wordt. Vanuit
de Vlaamse regering wordt in deze een grotere inbreng van de lokale
overheden verwacht. Op het eerste zicht lijkt dit logisch, aangezien zij
het best geplaatst zouden zijn om de problematiek te kennen. Anderzijds
mag men er ook niet blind voor zijn dat niet elke stad of gemeente evenveel
bereidheid vertoont om de verwaarloosde en leegstaande woningen in kaart te
brengen.
De CD&V is van mening dat de registratie van de
leegstand en de verkrotting zo veel mogelijk gedecentraliseerd, op
gemeentelijk niveau, dient te gebeuren. De inning van de leegstandsheffing
moet gebeuren door een bovengemeentelijke instantie bv. de provincie of
het gewest die op hun beurt een gedeelte van de ge�nde gelden opnieuw
zouden kunnen doorstorten naar het gemeentelijke niveau.
De investering
van een deel van de opbrengst van de heffing in de sociale woonbouw is
daarbij aan te bevelen.
De gemeente of stad zou een
resultaatsverbintenis kunnen afsluiten met de Vlaamse overheid waardoor met
een gedeelte van de middelen van de opbrengst van de leegstandsheffing
ge�nvesteerd kan worden in 10 meter omgevingsfactoren zoals het weg-dek, de
nutsvoorzieningen, straatverlichting, voetpaden, groen--voorzieningen voor
elk verloederd pand, krot of woning in slechte staat.
* Het
recht van voorkoop kan in het kader van de kwaliteitsbewaking als een
krachtig instrument fungeren. Dit instrument kan ongetwijfeld zeer goede
diensten bewijzen om in bepaalde buurten nieuwe projecten te realiseren.
De praktijk leert evenwel dat het gebruik ervan niet altijd op een even
adequate manier wordt aangewend. Wanneer een private initiatiefnemer een
waardevol project wenst te realiseren, moet er over gewaakt worden dat dit
niet onmogelijk gemaakt wordt doordat andere actoren gebruik maken van het
recht van voorkoop om op dezelfde plaats een gelijkaardig project te
realiseren, maar dat de beschikbare middelen aangewend worden om elders een
initiatief te nemen.
In het recht van voorkoop dient bijgevolg
minstens een toetsing aan het gemeentelijk beleid te worden ingeschreven.
* Hierbij aansluitend moet het belang beklemtoond worden van de
sociale vermenging, waarbij een grotere diversiteit in de
bewonerssamenstelling moet nagestreefd worden.
Samenwerking met de
private sector en de federaties (zie verder) is aangewezen om het aanbod
aan betaalbare woongelegenheden te vergroten, de zogenaamde Publiek-Private
Samenwerking
Zo is in het kader van de sociale vermenging zeker
aangewezen om op grote grondreserves van bouwmaatschappijen een deel te
laten ontwikkelen voor de niet-sociale doelgroep. Deze dient zo dicht
mogelijk aan te leunen bij de gemiddelde be-volkings-structuur van een
regio. Anderzijds wordt het monotone karakter eigen aan sociale
woonwijken, hoe creatief men ook moge zijn in het ontwerp, doorbroken door
architectuur van een gehalte dat binnen de budgetten voor sociale
woningbouw niet realiseerbaar is.
De optie die werd genomen in het
ontwerp van provinciaal structuurplan West-Vlaanderen waarbij bij ieder
woonproject van een sociale huisvestingsmaatschappij dat meer dan 1 ha
omvat minstens 25 % dient bestemd te worden voor private projecten en
omgekeerd, verdient navolging in heel Vlaanderen.
Zowel de private
als de publieke sector halen hier voordeel. De integratie van projecten
waarbij ieder van hen de andere - evenwel in een stelsel van wederkerigheid
- betrekt bij de ontwikkeling van de eigen grondreserves kan voor beide een
wederzijds bevruchtende samenwerking gerealiseerd worden. Dit kan echter
enkel slagen indien men rekening houdt met de eigenheid van beide partijen
: de economische finaliteit van de ene en de sociale voor de andere.
5. Groene woonwensen
Een woning is nooit een gegeven op
zich. De kwaliteit van het wonen is onlosmakelijk verbonden met de
kwaliteit van de omgeving. Voor heel wat mensen betekent dit dat de
woon-om-ge-ving niet alleen maar bestaat uit bak- en straatstenen, maar dat
ook het nodige groen aanwezig is.
De realisatie van woonprojecten moet
dan ook gepaard gaan met het voorzien van de nodige groenvoorzieningen, ook
wanneer deze zich bevinden in een verstedelijkte omgeving.
In
Nederland heeft men het dienaangaande over “groenstedelijke
woonmilieus”; een concept dat navolging verdient. Een
door-ge-dreven samenwerking met de lokale besturen met het mogelijk maken
dat de woonomgeving op die manier een aangenaam karakter krijgt. Het beeld
van een woning met spelende kinderen op een plein met bomen en struiken,
mag niet alleen maar een reclameboodschap zijn, maar moet ook realiteit
zijn.
Hierop kan voor CD&V ook ingespeeld worden door het geven
van een woonbestemming aan gebouwen die hun oorspronkelijke bestemming
verliezen en heel wat mogelijkheden bieden om een groene woonomgeving te
cre�ren: een oude depot voor bussen van Buurtspoorwegen, boerderijen,
kloosters en abdijen, verlaten legerkazernes,… .
Duurzaam wonen zou het uitgangspunt moeten worden voor elke
woningzoekende die een woning wenst aan te kopen of te renoveren. De
overheid heeft een opdracht om blijvend te investeren in de bekendmaking en
ondersteuning van duurzaam bouwen en wonen zoals bv. een eenduidige en
objectieve milieu-etikettering van bouwmaterialen, gebruik van
hoogrende-ments-dubbelglas, zonne�nergie, isolatie,…
6. Wonen in dorpen en landelijk gebied
De laatste jaren wordt
– terecht – meer en meer de aandacht gevestigd op het
wonen in de stedelijke gebieden. Dat neemt echter niet weg dat in
Vlaanderen heel wat mensen en ook jonge gezinnen in kleinere dorpen en in
landelijke gebieden wonen en dat ook willen blijven doen. Het moet
overigens duidelijk zijn dat niet iedereen in een stedelijk gebied of in
uitbreidingsgerichte projecten kan gehuisvest worden.
Ook in de
meer landelijke gebieden moet het mogelijk zijn om tegen betaalbare
voorwaarden voor jonge gezinnen te wonen, weliswaar met dien verstande dat
de kwaliteit van de natuur en de open ruimte niet aangetast wordt. Het kan
niet dat het platteland – ten gevolge van woonbeperkingen en de
ermee gepaard gaande prijsstijgingen – het exclusieve woondomein
wordt van de meer kapitaalkrachtigen die zich middel het groen gaan
afzonderen van hun minder fortuinlijke medemens.
Het CD&V
neergelegde voorstel van decreet inzake het woonrecht dat de mensen met een
maatschappelijke binding met een bepaalde gemeente of gebied meer
mogelijkheden biedt om in de eigen streek te blijven wonen moet dan ook
snel goedgekeurd �n uitgevoerd worden.
7. Ruimtelijke
behoeften voor wonen
Wonen is onlosmakelijk verbonden met het
gebruik van de beschikbare ruimte. Het aspect ruimtelijke ordening is dan
ook essentieel bij de uitbouw van een hedendaags woonbeleid. Vanuit de
ruimtelijke ordening kan het woonbeleid - via planning, grondbeleid,
verordeningen,… - ondersteund en gestuurd worden.
Een
beleid is maar deugdelijk wanneer het gestoeld is op degelijke en
wetenschappelijk onderbouwde informatie, opgesplitst volgens regionale
verschillen en uitgaande van de concrete noden van de mensen.
Ieder structuurplan dient dan ook alvorens men start met het poneren
van de doelstellingen inzake wonen, minstens over volgende basisinformatie
te beschikken :
 het aantal sociale woningen, met
onderscheid naar huur- en koopwoningen;
 het aantal
gezinnen dat in aanmerking komt voor een sociale woning (hier is het
belangrijk dat een aantal prognoses worden geformuleerd naar de toekomst
toe);
 het aantal leegstaande en verkrotte woningen;
 de niet-bebouwde percelen in woongebied en
woonuitbreidingsgebied
Wenst een woonbeleid kansen op slagen te
hebben, dan dienen voor CD&V in de ruimtelijke structuurplannen
duidelijke doelstellingen ingeschreven te worden om dit te garanderen.
- Zo zou men in algemene zin kunnen stellen dat het een absoluut
minimum is dat elke gemeente in haar ruimtelijk structuurplan voorziet dat
minimum 5 % van de woningen sociale huurwoningen moeten zijn. Daarnaast kan
men voorstellen dat alle gemeenten een inspanning zouden doen om tijdens de
volgende legislatuur een stuk dichter bij het Europees gemiddelde van 17 %
sociale huurwoningen te komen.
- Inzake de sociale eigendomsverwerving,
kan vooropgesteld worden dat in elke gemeente minimum 5 % van de jaarlijks
te koop aangeboden nieuwbouw sociale koopwoningen en flats zijn, en minimum
5% van de aangeboden kavels sociale kavels zijn.
- Jeugruimteplannen
zouden ge�ntegreerd moeten worden in de structuurplannen zelf. Via deze
jeugdruimteplannen zullen jeugdraden geresponsabiliseerd kunnen worden om
bij de opmaak van deze structuurplannen expliciet rekening te houden met de
plaats van en voor jongeren en kinderen.
Naast kwantitatieve
doelstellingen (het verhogen van het aanbod) zijn voor de CD&V ook
kwalitatieve woondoelstellingen van belang. Daarom kunnen ook de volgende
elementen worden ingeschreven in de structuurplanning: extra aandacht voor
inbreidingsgerichte projecten, aandacht voor gemengde projecten, realiseren
van aanpasbare woningen.
E�n van de meest cruciale hefbomen zowel
voor huisvesting als voor ruimtelijke ordening is
het grond- en
pandenbeleid. Een effici�nt beleid dienaangaande heeft zowel een sociale
als een ruimtelijk kwalitatieve doelstelling. Een sociale doelstelling,
door het streven naar betaalbare grond- en bouwprijzen om gunstige
voorwaarden te scheppen voor huisvesting. Een ruimtelijk kwalitatieve
doelstelling, door correcties in te voeren op het nefast grondgebruik om
ruimtelijke kwaliteitsverbetering te beogen.
Het grond- en
pandenbeleid vormt het sluitstuk van de ruimtelijke ordening. Hier is de
operationalisering van bestemming en inrichting van de ruimte aan de orde.
Hier wordt idealiter aangeduid wanneer, op welke manier en met welke
middelen de overheid gaat ingrijpen in de ruimte om de doelstellingen en de
gewenste ontwikkelingen te realiseren. Een grond- en pandenbeleid kan
slechts effici�nt en effectief zijn wanneer men beschikt over goede,
geactualiseerde gegevens op elk van de bestuursniveaus die de plicht hebben
terzake een geco�rdineerd beleid te voeren. Er moet gewerkt worden naar
grondbeleidsplannen op de drie bestuurs-niveaus.
Belangrijk is dat
deze grondbeleidsplannen ook afbakenen binnen welke zones, ter uitvoering
van de structuurplanning, de overheid haar optreden zal concentreren. Deze
actiegebieden moeten zich voornamelijk situeren in zones waar de prijzen
van gronden en woningen, als gevolg van de oververhitting van de markt,
zeer hoog liggen.
In deze grondbeleidsplannen dienen de
instrumenten voor het grondbeleid (voorkooprecht in verschillende sectoren,
heffingen, onteigening,…) op elkaar worden afgestemd, en dient
aangeduid te worden hoe deze instrumenten zullen worden aangewend.
Belangrijk is hier de samenwerking met een aantal actoren, die eveneens
deze instrumenten kunnen aanwenden. Bijvoorbeeld: er zouden in de gemeenten
afspraken moeten gemaakt worden met de sociale huisvestingsmaatschappijen
voor het gebruik van het voorkooprecht in bepaalde zones.
Op
Vlaams niveau dient gestreefd te worden naar de oprichting van een
grondbank. Dit is een operationele instelling die, ter uitvoering van het
grondbeleidsplan en ter realisering van de doelstellingen en de gewenste
ontwikkeling van de ruimte, het overheidsoptreden op de markt doet.
Op
provinciaal en gemeentelijk niveau worden meer en meer grondregies
opgericht. Deze moeten hiervoor aangewend worden.
De CD&V is
vragende partij voor de verdere substanti�le uitbreiding van het sociaal
woningpatrimonium. Met een wachtlijst van vele duizenden gezinnen zowel in
de sociale huursector als vrij recent zelfs in de sociale koopsector dienen
hier op korte termijn zichtbare resultaten te worden geboekt. Dat betekent
dat de afstemming met het beleid inzake ruimtelijke ordening absoluut
noodzakelijk is. Dit laatste moet immers de nodige faciliteiten aanbieden
om deze woningen te realiseren. De sociale huisvestings-maatschappijen
hebben immers niet de nodige grondreserves om duizenden woningen te
realiseren en de evolutie van de immobili�n-prijzen – mede door
het stringente ruimtelijke ordenings-beleid - maakt het quasi onmogelijk om
nog woningen of gronden te verwerven om deze aan betaalbare voorwaarden te
herbestemmen.
III. Meer Centen – Beter Beheer
1. Financieringsmechanismen: vereenvoudiging
Alhoewel de
meeste regeringen tijdens het laatste decennium zich een vereenvoudiging
van de subsidiestelsel tot doel hadden vooropgesteld, kan men enkel maar
vaststellen dat er in dezelfde periode een exponenti�le groei heeft
plaatsgevonden in de subsidiestelsels en de soorten van actoren. Bijna
iedere regering rekende het tot haar plicht een eigen premie- en of
subsidiestelsel uit te werken. Een dergelijk beleid komt de
doorzichtigheid, de toegankelijkheid en de continu�teit niet ten goede.
CD&V kiest voor een radicale vereenvoudiging:
1. Een
enveloppensysteem op het niveau van de regio’s voor de
huisvestingsactoren
De huidige wildgroei aan subsidiestelsels en
investerings-programma’s maakt dat telkens voor ieder
afzonderlijk project een hele weg aan procedures dient doorlopen te worden
binnen een niet gesloten timing om de financiering te verzekeren. Het ware
veel eenvoudiger om al deze middelen samen te brengen in ��n enveloppe per
regio waarbinnen de actoren binnen een geobjec-ti-veerd kader autonoom
kunnen beslissen over de besteding van deze middelen.
Het meest
aangewezen instrument hiertoe zijn de beheers-overeenkomsten. Deze
garanderen een billijke spreiding van de middelen binnen de regio via het
overlegmodel met de diverse gemeentebesturen.
Keerzijde van deze
medaille is natuurlijk dat de actoren na het verstrijken van de
beheersovereenkomsten kunnen geresponsa-biliseerd worden voor de besteding
ervan met alle gevolgen van dien. Op deze wijze wordt heel wat overbodige
administratie afgebouwd, een grotere financi�le zekerheid en noodzaak tot
professionalisering voor de actoren gerealiseerd en daardoor een snellere
realisatie gewaarborgd.
2. Financi�le stimuli voor de
gemeenten in de mate dat zij een actief woonbeleid voeren
Voor
CD&V zijn en blijven de gemeenten de cruciale hefboom in het
huisvestingsbeleid. Evenwel zijn er in het huidig beleid geen of
onvoldoende stimuli aanwezig om een gemeentelijk woonbeleid te dynamiseren,
te stimuleren maar ook te responsabiliseren. De gemeenten moeten
aangemoedigd worden om hun verant-woorde-lijk-heid terzake op te nemen. Dit
kan onder andere via een pact tussen de Vlaamse overheid en de gemeenten
waarin naast verplichtingen ook stimuli worden voorzien:
a.
Verplichtingen: minima qua aanbod sociale woningen, sociale kavels,
gemengde projecten, politieke strategienota om de doelstellingen te halen,
b. Stimuli: voor de oprichting van een woonraad, een woonwinkel, de
aanwerving van een huisvestingsambtenaar, initiatieven rond het optrekken
van de minimumkwaliteit van het woningpatrimonium, …Stimuli
moeten worden voorzien in het gemeentefonds voor het verhogen van het
aanbod aan sociale woningen en sociale kavels.
2. Opschaling
en integratie van sociale huisvestingsmaatschappijen
De bestaande
sociale huisvestingsmaatschappijen zijn een zeer diverse groep. Er is niet
alleen de historische opdeling tussen de huur- en de koopsector; daarnaast
zijn er zowel kleine als grote, sterke als zwakke, gemeentelijke als
bovengemeentelijke maat-schappijen.
Een rationalisatie,
schaalvergroting en verdere professionalisering van het terrein dringt zich
zondermeer op. Nog te veel huisvestingsmaatschappijen zijn niet voldoende
uitgerust om een aan de hedendaagse noden aangepaste kwaliteitsvolle
dienst-verlening en een dynamisch beheer te waarborgen.
De huidige
opdeling tussen de sociale huur- en koopsector wordt op middellange termijn
best verdersneld afgebouwd. Vanuit de invalshoek dat
huisvestingsmaatschappijen niet louter alleen bouwheer zijn maar
zeggenschap over wonen en woonomgeving sterk aanbod moet kunnen komen lijkt
de term “woonmaat-schappijen” beter te beantwoorden aan
de hedendaagse invulling van haar opdrachten.
Een sociale
huisvestingsmaatschappij dient de woningzoekende op de meest adequate
manier te kunnen helpen en voor sommigen kan dit het aanbieden van een
huurwoning zijn; voor anderen het aanbieden van een koopwoning of een
sociale kavel. De huis-vestings-maatschappijen zijn uitstekend geplaatst om
de kandidaat-bewoner in deze keuze bij te staan, maar ze moeten op termijn
dan ook de mogelijkheid hebben om zowel huur- als koopwoningen in hun
aanbod te hebben.
Doch mag het principe van de schaalvergroting geen
doelstelling op zich is; de grootte van een maatschappij op zich is immers
geen garantie voor dynamisch en professioneel handelen.
Alhoewel
CD&V van oordeel is dat dergelijke processen het best aangestuurd
worden door spontane initiatieven op het werkveld, voor CD&V de meest
verkieslijke schaalgrootte voor een federatie (zie verder) een
socio-economische regio.
3. Optimalisering en rationalisering
van het huisvestingslandschap
Op het terrein houden een steeds
groeiend aantal actoren zich met woonbeleid bezig. Enerzijds is een
dergelijke rijkdom aan actoren een positief gegeven; anderzijds kan een
teveel aan actoren ook de effici�ntie schaden. Elk van deze actoren werkt
immers vanuit een eigen specifieke invalshoek. Dat heeft geleid tot een
exponenti�le toename van het aantal reglementeringen en subsidiestelsels.
Voor elke betrokkene op het vlak van de sociale huisvesting –
lokale besturen, huisvestingsmaatschappijen, bewoners… - is
eenduidigheid en meer doorzichtigheid ten zeerste aangewezen.
De
nood aan sociale vermenging, projecten waar huur- en koopwoningen alsook
sociale kavels door elkaar terug te vinden zijn, vereisen op het terrein
een steeds grotere samenwerking tussen verschillende actoren. Op bepaalde
plaatsen heeft dit reeds geleid tot samenwerkingsakkoorden; in andere
gevallen is dergelijke samenwerking minder vanzelfsprekend en blijft elke
actor zich halsstarrig aan het eigen specifieke domein vast-klam-pen.
Dergelijke vrijblijvendheid en eigenzinnigheid zijn evenwel veel minder
gepast in een situatie de nood aan betaalbare en kwaliteitsvolle woningen
zeer groot is �n waar de nood aan professionalisering zich alsmaar
duidelijker laat voelen.
Het dient voor iedereen duidelijk te zijn dat
het woonbeleid dient te vertrekken vanuit de woningzoekende, de
woonconsument, vanuit de mensen, en dat de instellingen er enkel zijn om de
behoeften van de mensen dienaangaande op de meest effici�nte wijze te
beantwoorden.
Samenwerking tussen de verschillende actoren is dus
een absolute noodzaak !
Een ideaal platform hiervoor is volgens de
CD&V de “WOONFEDERATIE”:
Dit is een koepel
van de sociale huur- en koopmaat-schap-pijen, erkende
kredietvennootschappen en sociale verhuur-kantoren, waarbij iedere actor
zijn eigenheid blijft behouden maar waarbij het optreden naar buiten toe
via de woonfederatie loopt en dit in overleg en samenspraak met de andere
tot de betrokken federatie behorende actoren.
De gemeente dient de
waarborg te krijgen dat zij voor de invulling van haar sociale
huisvestingsbehoeften slechts ��n partner heeft, die dan via de interne
organisatie dient in te staan voor een aanbod op maat van de lokale vraag.
Dit vereist dat deze �ne partner kan beschikken over een voldoende
gediversifieerd aanbod dat wordt gerealiseerd door de diverse actoren samen
te brengen in ��n gestructureerd verband. Dit verband verankert de huidige
samenwerkings-akkoorden op vrijwillige basis in gestructureerde
samen-werkings-verbanden.
De woonfederatie moet toelaten een veel
grotere eenduidigheid op het veld te realiseren. Een
actoren-overschrijdende geco�rdineerde inzet van middelen zal hieruit op
middellange termijn spontaan voortvloeien. Bovendien zal de
aandeel-houders-structuur die voor heel wat van deze actoren grotendeels
analoog is op termijn een dynamiek tot schaalvergroting op gang brengen.
De federatiestructuur vereist een meer professionele aanpak dan deze die
thans op het gemiddeld niveau van de diverse actoren wordt gerealiseerd.
Uiteindelijk zal deze professionalisering door-dringen tot in alle
onderliggende geledingen van de federatie.
De CD&V stelt
vast dat de in de Vlaamse Wooncode voorziene afsluiting van
beheersovereenkomsten nog altijd geen realiteit is geworden. De
noodzakelijks dynamisering, responsabilisering en professionalisering van
de huisvestingsactoren blijft mede daardoor achterwege.
3.1
Inschakelen van sociale kredietvennootschappen in een
samenwerkingsstructuur met de bouwmaatschappijen
De functie die de
sociale kredietvennootschappen (SKV) historisch vervuld hebben, m.n. het
verschaffen van goedkope hypothecaire leningen aan een doelgroep die zich
situeerde tussen de strikt-sociale sector en de niet-sociale sector heeft
ongetwijfeld het nut bewezen van het bestaan van een intermediair
financieringssysteem. Via deze instel-lingen zijn heel wat Vlamingen
eigenaar geworden die het op louter eigen kunnen waarschijnlijk nooit of in
ieder geval met veel grotere inspanningen en later geworden zouden zijn.
Echter, omwille van de historisch lage rentevoet en de beduidende
stelselmatige afname van de activiteiten in de bouwsector de voorbije
vijftien jaar, is de maatschappelijke rol van de kredietvennootschappen in
belang afgenomen. De huidige sociale opdracht wordt ook afgeremd door de
kostenstructuur van deze instellingen: bij dalende omzet en lagere marges
zijn de vaste kosten quasi constant gebleven. Men zou dit instrument
evenwel beduidend kunnen activeren door de werking ervan te koppelen aan de
verkoop van sociale woningen:
Twee benaderingen zijn hierbij
mogelijk:
o Enerzijds zijn er heel wat sociale koopmaatschappijen die
meer woningen kunnen bouwen dan waarvoor de Vlaamse overheid kredieten
uittrekt. Nochtans remt de huidige financi�le organisatie van de
eigendomssector zulke initiatieven af omdat deze kopers zich genoodzaakt
zien voor hun hypothecaire lening beroep te doen op de bancaire sector met
de inherente financi�le gevolgen tot gevolg. Mochten deze kandidaat-kopers
over een enigszins goedkoper alternatief kunnen beschikken, zouden er meer
sociale koopwoningen beschikbaar zijn.
o Dezelfde koopmaatschappijen
beschikken ook vanwege de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij over veel te
beperkte kredieten voor het verstrekken van gesubsidi�erde leningen voor de
aankoop met renovatie of voor de nieuwbouw van een woning. In vele
maatschappijen zijn in de loop van de maand februari of maart de budgetten
voor het lopende jaar reeds uitgeput. Een behoorlijk deel van de
kandidaat-ontleners zouden hun woonbehoeften ook kunnen invullen met een
niet-gesubsidieerde sociale lening. Eenzelfde gedachtengang gaat op voor de
verkoop van sociale huurwoningen om enerzijds de eigendomsverwerving te
stimuleren en anderzijds de sociale vermenging te bevorderen.
CD&V pleit ervoor dat dergelijke sociale leningen, naast de betere
toegankelijkheid voor de lage inkomensgroepen, ook flexibele mogelijkheden
zouden bevatten voor de terug-betaling van de lening. Dit betekent:
o
een systeem voor uitstel van betaling van de sociale lening, of een
verlenging van de looptijd van de lening wanneer de terugbetaling voor de
lener tijdelijk moeilijk is (bijvoorbeeld bij overstappen van sociale
huurwoning naar eigen woning) of moeilijker wordt.
o vervroegd kunnen
terugbetalen van de lening met minimale kosten wanneer de inkomenssituatie
verbeterd is.
3.2. Inschakelen van de sociale
verhuurkantoren in een samenwerkingsstructuur met de bouwmaatschappijen
De sociale verhuurkantoren (SVK) hebben een behoefte in-gevuld
– m.n. de woonbemiddeling op de private huur-markt - die in het
verleden door de huisvestings-maatschappijen niet werd ingevuld.
Dat
hun doelstelling beantwoordt aan een re�le behoefte, mag blijken uit het
traag maar toch stijgend patrimonium dat zij beheren.
Nochtans dient
heel deze sector in een ruimere context bekeken te worden.
Vlaanderen
telt 31 erkende, waarvan 15 gesubsidieerde, en 55 niet-erkende sociale
verhuurkantoren. In totaal dus 86 kantoren die samen een totaal
patrimonium van 2.200 woningen beheren. Dit staat gelijk met het
patrimonium van een gemiddelde sociale huurmaatschappij in Vlaanderen.
Indien men hierbij de personeelskosten die met deze sociale verhuurkantoren
gepaard gaat afzet t.a.v. de gemiddelde beheerskost voor een klassieke
sociale huurwoning, dient vastgesteld te worden dat het veelvoud dat
vereist is voor een SVK-woning in absolute disproportie staat. Naast de
voor de hand liggende redenen voor de hogere beheerskost van sociale
verhuurkantoren zijn er uiteraard ook nog andere redenen. Zij moeten heel
wat energie steken in een samenwerking met de welzijnssector omdat zij
juist moeten werken met een moeilijkere doelgroep waardoor er meer aandacht
moet gaan naar de begeleiding van de bewoners.
Om de essentie van
deze activiteit te vrijwaren, is het voor CD&V aangewezen de sociale
verhuurkantoren in te brengen in de federaties, waardoor ze zonder
bijkomende kosten beroep kunnen doen op de know-how en de infrastructuur
ervan. Daardoor kan een substanti�ler deel van het budget gericht worden
op de eigenlijke taakstelling : het inbrengen van private huurwoningen in
de sociale huurmarkt.
3.3 Inschakelen van intercommunales die als
opdracht hebben huisvesting te cre�eren
4. Naar
��n-loket-woonbeleid
In de mate dat de woonconsument gebruik
wenst te maken van de aanbodzijde van de (sociale) huisvesting moet de
bewoner zich kunnen richten tot ��n loket, in casu de woonfederatie.
De
woonfederatie dient garant te staan voor een integrale dienstverlening voor
alle produkten die de overheid stricto sensu aanbiedt in het kader van de
(sociale) huisvesting.
Of het individu nu beroep wenst te doen op een
verzekering tegen inkomensverlies, een premie, een sociale huurwoning, een
gesubsidieerde lening, het federatieloket dient zijn rechten te waarborgen.
Het samenbrengen van al deze diensten op dit bovengemeentelijk, maar
niet provinciaal niveau waarborgt enerzijds een grote bereikbaarheid en
toegankelijkheid en biedt de mogelijkheid om de administratieve verwerking
binnen ��n uniform stelsel te realiseren. Bovendien wordt door het
samenbrengen van de diverse actoren inzake sociale huisvesting de meest
optimale bron van informatieverstrekking gewaarborgd.
4.1. De
eerstelijns dienstverlening op het vlak van het woonbeleid berust in eerste
instantie bij de gemeenten
De gemeente heeft immers een
belangrijke rol te vervullen inzake het woonbeleid. Als dichtst bij de
burger staande overheid is zij het best geplaatst om enerzijds de (sociale)
woonbehoeften in te schatten en na te gaan op welke wijze deze het best
ingevuld dienen te worden. Zij dient bijgevolg te fungeren als de eerste
stimulator en co�rdinator van sociale huisvestingsinitiatieven.
Dit
houdt ondermeer in dat zij tijdig de woonfederatie als het
��n-loket-sociale-huisvestingsactor zal dienen te sturen in het ontplooien
van de nodige initiatieven, de nodige om-gevings-voorwaarden te cre�ren
binnen dewelke de sociale huisvestingsopdracht lokaal kan ingevuld worden
en als partner van de woonfederatie tijdig bij te sturen indien uitvoering
en/of beheer niet conform het vooropgestelde verwachtingspatroon verlopen.
Ondanks het eerder aangehaalde overaanbod aan sociale
huisvestingsactoren voelen sommige gemeenten (net zoals trouwens sommige
OCMW’s en provincies) zich – in tegen-stelling tot
hetgeen bepaald is in de Vlaamse Wooncode - geroepen om op te treden als
huisvestingsactor.
De CD&V legt wel de nadruk op het belang van de
rol van de gemeenten in het grond- en pandenbeleid en in de
kwaliteitsbewaking. Het bouwen, verhuren en verkopen van sociale woningen
hoort thuis bij hiervoor specifiek uitgeruste maatschappijen. Indien
bouwmaatschappijen hun opdrachten in welbepaalde gemeenten niet nakomen,
kan dit perfect afgedwongen en gesanctioneerd worden via de
beheers-overeenkomsten.
In elke gemeente dient een informatiepunt
of dienst te zijn, ��n loket, een woonwinkel, waar mensen, begeleiders van
OCMW’s… met al hun vragen inzake huisvesting terecht
kunnen. Op deze laagdrempelige plaats dient extra aandacht besteed te
worden aan de noden van de mensen die het moeilijk hebben op de
huisvestingsmarkt. Deze extra aandacht vertaalt zich onder meer in extra
begeleiding bij het zoeken naar geschikte huisvesting, premie-aanvragen,
… Dit informatiepunt of dienst dient door de Vlaamse overheid
voorzien te worden van goede informatie.
De rol van de gemeentelijke
huisvestingsambtenaar is dus van zeer groot belang. Zijn
informatieverstrekkende en doorverwijzende functie blijft zeker voor de
doelgroep van de minstbedeelden uiterst waardevol.
In de grotere
gemeenten en steden zal het zondermeer mogelijk zijn om een professioneel
geschoolde huisvestings-ambtenaar in dienst te hebben die de voornoemde
taak-stelling perfect zal kunnen invullen.
In kleinere gemeenten is
het inzetten van een voltijdse huisvestingsambtenaar niet zo voor de hand
liggend. In deze gevallen dient gezocht te worden naar bovengemeentelijke
oplossingen waardoor toch de informatie waarop de burger recht heeft hem op
een verantwoorde wijze ter beschikking wordt gesteld.
4.2. De
rol van de gemeente in het toewijzingsbeleid
Vanuit het
gemeentelijk niveau worden er terechte vragen gesteld naar de huidige wijze
van invulling van het toewijzingsbeleid. De Vlaamse overheid heeft in het
verleden ernstige inspanningen gedaan om het toewijzings-beleid maximaal te
objectiveren. Dit heeft ertoe geleid dat heel wat gemeenten dit
toewijzingsbeleid in toenemende mate zijn gaan ervaren als een
sanctionering voor hun actief sociale huisvestingsbeleid.
De
toepassing van het sociale huurbesluit in sociale woon-wijken heeft er de
laatste jaren toe geleid dat de sociale integratie en cohesie in deze
woonwijken stilaan verder afbrokkelt, terwijl tegelijkertijd toch ook moet
vastgesteld worden dat de toegang tot de sociale huisvestingssector voor
een aantal schrijnende gevallen quasi onmogelijk blijft.
Dit heeft
ertoe geleid dat de maatschappelijke aanvaard-baar-heid van dergelijke
wijken meer en meer in vraag wordt gesteld, zeker voor gemeentebesturen die
hun situatie vergelijken met buurgemeenten die geen sociaal
woning-patrimonium hebben. In het verleden heeft men deze kritiek reeds
proberen te ondervangen door de klein-schalig-heid en de sociale mix in te
schrijven, maar het probleem van de grote wijken blijft gesteld.
Om dit te realiseren zal voor CD&V er een pragmatisch evenwicht
dienen bewerkstelligd te worden tussen de strikt sociale en de ruime
huisvestingsopdracht van de sociale huis-vestings-sector.
Voor
CD&V zullen de rechten van de minstbegoeden maximaal dienen gevrijwaard
te blijven terwijl anderzijds in het toewijzingsbeleid veel meer in
samenspraak met de lokale overheid zal dienen rekening gehouden te worden
met het maatschappelijk draagvermogen van de buurt.
Dit kan best
gerealiseerd worden door alle gemeenten te wijzen op hun
verantwoordelijkheid inzake huisvesting en hen ertoe aan te zetten een
minimaal aantal sociale woningen op hun grondgebied te realiseren. Een
minimumdrempel van 15% van het woningpatrimonium voor sociale woningbouw
wordt best gradueel ingevoerd.
In de mate dat de gemeenten voldoen aan
deze verplichting dient hen de ruimte geboden te worden om binnen bepaalde
voldoende objectiveerbare voorwaarden eigen accenten te leggen in het
toewijzingsbeleid.
5. Herori�ntering taken en opdrachten
Vlaamse Huisvestings-maatschappij
De werking van de Vlaamse
Huisvestingsmaatschappij (VHM) roept bij de diverse actoren en
beleidsniveau’s, vaak om uiteenlopende redenen, heel wat vragen
en kritische bedenkingen op. De meest gehoorde kritiek is dat deze
instelling onvoldoende voeling heeft met het werkveld enerzijds en
anderzijds te log en te ambtelijk functioneert.
De controle- en
voogdijbevoegdheid die zij tot op heden t.a.v. de sociale
huisvestingsmaatschappijen uitoefende, wordt reeds jaren-lang en in steeds
toenemende mate als paternalistisch en overbetuttelend ervaren. De sociale
huisvestingsmaatschappijen voelen zich zwaar beknot in hun autonomie, daar
waar de Vlaamse Wooncode een grotere responsabilisering en
verzelfstandiging als ��n van de hefbomen om deze sector te dynamiseren
vooropstelde.
De huidige thesaurieproblemen doen ook vragen rijzen
over de wijze waarop de bankfunctie wordt ingevuld. Er dient nagegaan te
worden of geen andere vormen van centraal thesauriebeheer een effici�nter
collectief beheer van de middelen de sector kunnen genereren.
CD&V is de mening toegedaan dat de wijze waarop de VHM vandaag
invulling geeft aan de haar door de Vlaamse Wooncode toebedeelde opdrachten
en het hiermee inherente personeelskader dienen herzien te worden in het
kader van een grotere responsabilisering en verzelfstandiging van
geprofessionaliseerde woonfederaties. De dienstverlening aan en
ondersteuning van de woonfederaties dient in de mate dat deze hiervan
gebruik wensen te maken de primaire opdracht van deze instelling te worden,
waarbij iedere doublure in de procedures t.a.v. het Vlaams Gewest en de
federaties maximaal dient vermeden te worden. CD&V stelt zich dan ook
de vraag of men de politieke moed zal hebben om de taken van een
intermediair instrument als de VHM ten gronde in vraag te stellen in
functie van een maximaal geprofessionaliseerd en gedecentraliseerd
woonbeleid?
6. Herziening van de opdracht van het Vlaams
Woningfonds
Ook dient de vraag gesteld te worden naar de rol van
het Vlaams Woningfonds (VWF). E�n van de weinige zaken die de studie
i.v.m. de doorlichting van de financi�le stromen in de sociale huisvesting
onomstotelijk heeft kunnen blootleggen, is dat ondanks haar substantieel
hogere betoelaging het Vlaams Woningfonds er niet in slaagt om met haar
gesubsidieerde sociale leningen goedkoper te zijn voor gezinnen met twee
kinderen en zelfs niet in een groot aantal gevallen voor gezinnen met drie
kinderen, die wel haar specifieke doelgroep vormen. Dit roept toch wel
fundamentele vragen op over de effici�ntie van deze (private) instelling.
Indien de Vlaamse overheid consequent zou zijn met zichzelf, zou
zij het stelsel van de gesubsidieerde leningen zoals zij dit nu toestaat
aan het Vlaams Woningfonds ook open te moeten trekken voor andere private
financi�le instellingen.
De vraag die zich hierbij stelt is of deze er
wel zullen in slagen om deze substantieel goedkoper op de markt te brengen,
aangezien in het huidige systeem van gesubsidieerde sociale leningen de
kostenstructuur quasi integraal wordt verhaald op andere activiteiten.
Veel logischer ware het om ��n loket voor de gesubsidieerde
sociale leningen te cre�ren. Het is niet langer verdedigbaar dat de
overheid meerdere instellingen gebruikt om eenzelfde dienst aan te bieden;
het is dit zeker niet wanneer de er – met overheidsgeld
– verschillende voorwaarden worden gesteld afhankelijk van het
loket waar de kandidaat-ontlener zich aanbiedt. Bovendien heeft men in het
verleden de doelgroep van het Vlaams Woningfonds stelselmatig moeten
uitbreiden om de activiteit in stand te houden. En dit terwijl in de
sociale huisvestingsmaatschappijen de sociaal-gerech-tigden na twee maanden
moet doorverwezen worden naar volgend begrotingsjaar wegens vroegtijdige
uitputting van de kredieten.
Veerle Heeren
Vlaams
Volksvertegenwoordiger CD&V
Promotor Huisvesting
Oudestationsstraat 37
3800 Sint-Truiden
Tel. 011/69.26.01
Fax 011/68.02.81
Email: [EMAIL PROTECTED]
Webstek: www.veerleheeren.com
|
[Reageren]
[Persmededeling en reacties op het web nalezen]
Hermes is de gratis persmededelingendienst van Politiek.net
Deze berichten werden verstuurd naar de nieuwsredacties en de abonnees van Hermes. Meer informatie en in- en uitschrijven kan via http://www.politiek.net/hermes of via een berichtje naar [EMAIL PROTECTED].
Hermes is beschikbaar met de volledige persmededeling, een dagelijks overzicht, een wekelijks overzicht, of een dagelijks overzicht gefilterd op sleutelwoorden. Je kan je instellingen wijzigen via Mijn.politiek.net.
Politiek.net is in geen geval verantwoordelijk voor de inhoud van deze mededelingen.
|