VAART-bericht van: "Sunniva en David" <[email protected]>



Toch een nieuw laad- en lostijdenbesluit?



Wij begrijpen het allemaal niet meer. Eerst zou er een nieuw laad- en lostijdenbesluit komen. Toen wij het voorstel (dat al door de sector aangenomen scheen te zijn) zagen hebben wij gereageerd.

Vervolgens kwam er veel consternatie, want het was nog niet bekend dus hoe konden wij het nu via de pers spelen? Omdat dat de enige manier was om nog te kunnen reageren stelden wij.

Vervolgens was er opeens toch geen sprake meer van het nieuwe laad- en lostijdenbesluit omdat de minister vond dat "de markt zijn werk moest doen' en er dus geen rol weggelegd zou zijn voor ministeries om randvoorwaarden vast te stellen. Dat moest de sector zelf maar doen. Vervolgens bleef het lang stil en opeens vernemen wij dat het besluit genomen is en er toch sprake is van een nieuw laad- en lostijdenbesluit. En kennelijk nog precies dezelfde als waar we het eerder over hadden, tenminste tot die conclusie kwam men bij het ministerie van IenM (infrastructuur en milieu zoals nu het voormalige verkeer en waterstaat heet) .



Hieronder vindt u een brief betreffende onder andere het laad- en lostijdenbesluit, we plaatsen de hele brief omdat er ook andere relevante informatie instaat. .



Betreft Tijdelijk besluit laden en lossen binnenvaart en quick wins

binnenhavens



Geachte voorzitter,

Uw commissie voor Infrastructuur en Milieu verzocht mij de Kamer te berichten

wanneer het Besluit laad- en lostijden en overliggeld in de binnenvaart 1991 zal

worden aangepast. Mede namens de Minister van Veiligheid en Justitie voldoe ik

hierbij aan dit verzoek. Tevens informeer ik u over de mogelijke besteding van het

resterende budget voor de Quick Wins binnenhavens en over een nog

openstaande motie over historische vaartuigen.

Besluit laad- en lostijden

Zoals de toenmalige Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, mede namens de

Minister van Justitie, reeds op 14 januari 2009 antwoordde op schriftelijke

Kamervragen van het lid Van der Staaij, alsmede in haar brief van 22 januari 2009

(30523, nr. 27), is in overleg met belangenorganisaties van vervoerders en

verladers bezien op welke wijze het Besluit laad- en lostijden en overliggeld in de

binnenvaart 1991 een adequaat vervolg kan krijgen.

Laat ik voor op stellen dat ik, na het afschaffen van het toerbeurtsysteem in 1998,

het vaststellen van tarieven door de overheid in een marktsector als de

binnenvaart niet meer van deze tijd vind. Afspraken over tarieven, laad- en

lostijden en andere voorwaarden, zoals die in het Besluit 1991 zijn geregeld,

behoren rechtstreeks tussen vervoerend en verladend bedrijfsleven gemaakt te

worden. Waar mogelijk en nodig kan de sector, met uitzondering van tarieven,

modelovereenkomsten opstellen, waarbij het partijen vrij staat hiervan gebruik te

maken.

Desalniettemin constateer ik dat het Besluit ook na 1998 op verzoek van de

binnenvaartsector is blijven bestaan. Tevens heeft de binnenvaartsector

aangedrongen op modernisering van de voorwaarden en de tarieven in het Besluit.

In overleg met de branche en op verzoek van uw Kamer heeft de toenmalige

Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat daarom uw Kamer per brief van 22

januari 2009 geïnformeerd voornemens te zijn om:

a. Te bevorderen dat het bestaande Besluit wordt ingetrokken;

b. Bij wijze van overgangsregeling een nieuw Tijdelijk besluit voor de periode

van twee jaar te introduceren;

c. Met dit gemoderniseerde Tijdelijk besluit het bedrijfsleven de kans te geven

zich goed voor te bereiden op de periode dat het besluit niet meer zal

gelden.

Ik ben blij inmiddels te kunnen constateren, dat de brancheorganisaties van het

varende en het verladende bedrijfsleven overeenstemming hebben bereikt over de

inhoud van de voorwaarden voor laden en lossen en over de te hanteren tarieven.

Een dergelijke overeenstemming is bijzonder in de binnenvaart en belooft mijns

inziens veel voor de mogelijkheden dat de binnenvaartbranche straks op eigen

kracht contracten kan sluiten, die op behoorlijke wijze tegemoet komen aan zowel

de belangen van de vervoerders als van de verladers. De overgangstermijn van

twee jaar biedt de sector de gelegenheid zich terdege voor te bereiden op de

nieuwe constellatie, en wordt door het betrokken bedrijfsleven als een redelijke

termijn beschouwd.

De bereikte overeenstemming tussen varend en verladend bedrijfsleven is

inmiddels overgenomen in het nieuwe Tijdelijk besluit laden en lossen

binnenvaart. Dit Tijdelijk besluit zal binnen enkele weken voor advies aan de Raad

van State gestuurd worden. Inwerkingtreding zal naar verwachting per 1 juli 2011

plaats kunnen vinden, onder gelijktijdige intrekking van het bestaande Besluit uit

1991.



Quick wins binnenhavens

Tijdens het Algemeen Overleg van 17 maart 2010 heeft mijn ambtsvoorganger uw

Kamer toegezegd aan te zullen geven op welke wijze de nog resterende middelen

voor cofinanciering van binnenhaven gerelateerde projecten (de subsidieregeling

Tijdelijke regeling quick wins binnenvaart) zullen worden ingezet. De Tijdelijke

regeling was erop gericht vanuit een 'bottom-up' benadering decentrale overheden

te stimuleren om te investeren in de revitalisering van binnenhavens. De regeling

bleek een groot succes. Van het totaal beschikbare budget van ? 112 mln. is in de

eerste twee tranches voor in totaal ? 91 mln. toegezegd voor cofinanciering van

projecten van decentrale overheden. Inclusief hun eigen bijdragen is daarmee al

ruim ? 200 mln. vrijgemaakt voor projecten.

In de evaluatie van de eerste twee tranches en in de Landelijke Capaciteitsanalyse

Binnenhavens, die uw Kamer voorafgaand aan het Algemeen Overleg van 17

maart 2010 is toegezonden (32123 XII, nr. 47), is geconcludeerd dat het niet

opportuun is een derde tranche met dezelfde uitgangspunten en criteria te

starten. Het resterende budget zou beter de komende jaren strategisch kunnen

worden ingezet voor een beperkt aantal grotere havenprojecten waar een

aanvulling dan wel versterking van het landelijke netwerk van binnenhavens

mogelijk is. Uit een quick scan, uitgevoerd door de Nederlandse Vereniging van

Binnenhavens (NVB), is gebleken dat een dergelijke aanpak kan rekenen op

draagvlak, en dat er een aantal projecten in voorbereiding is dat past bij deze

benadering.



In het regeerakkoord heeft het kabinet aangegeven te willen investeren in de

binnenvaart om wegen en milieu te ontlasten. Dit is met name urgent op de

corridors die vanuit de mainport Rotterdam en de zeehaven Amsterdam richting

achterland lopen. De groeiprognoses voor met name het containertransport laten

de noodzaak zien van een op termijn veel grotere inzet van de binnenvaart. Het

resterend budget uit het Quick Win programma wil ik daarom primair inzetten

voor een versterking van het landelijk netwerk van binnenhavens en inland

terminals langs achterlandverbindingen en hoofdvaarwegen. Daarbij zijn, naast

enkele criteria die ook golden voor de eerste twee tranches, in ieder geval de

volgende criteria van belang:

- projecten moeten binnen afzienbare tijd (vóór 2016) uitgevoerd kunnen

worden;

- de investering past binnen de gebiedsagenda van de betreffende regio;

- de projecten dragen bij aan een versterking van het duurzaam en professioneel

havenbeheer en aan samenwerking in regionaal verband.

In antwoord op de motie van het lid De Rouwe (32500XII, nr. 27) heb ik

aangegeven bereid te zijn om bij de besteding van de resterende Quick Win

middelen ook aandacht te geven aan ligplaatsvoorzieningen op basis van

cofinanciering door decentrale overheden. Ik wil de komende maanden, samen

met de NVB en Koninklijke Schuttevaer, een inventarisatie uitvoeren naar

knelpunten in voorzieningen op ligplaatsen om aldus ook aandacht te geven aan

de 'sociale infrastructuur'.

In de brief van 16 maart 2010 (32123 XII, nr. 47) is aangegeven dat een beperkt

deel van de resterende Quick Win middelen zou worden aangewend voor

walstroomvoorzieningen in binnenhavens. Doel is een impuls te geven aan de

toepassing van walstroom bij ligplaatsen binnen de bebouwde kom, waar sprake is

van problemen ten aanzien van luchtkwaliteit en/of geluid. Op dit moment is het

Havenbedrijf Rotterdam in gesprek met de binnenvaartsector om een aantal

(technische) problemen rond walstroom in kaart te brengen en oplossingen te

bedenken. Op basis van de uitkomsten van deze exercitie wil ik vaststellen of de

genoemde impuls nog steeds opportuun is.

Een nieuwe ontwikkeling betreft het varen op LNG (vloeibaar aardgas). Naar

verwachting komen in 2011 de eerste binnenschepen op LNG in de vaart. Daarom

wil ik een beperkt deel van de resterende Quick Win middelen in 2011 inzetten

voor een éénmalige impuls op basis van cofinanciering voor de aanleg van LNG

vulpunten.

In antwoord op de motie De Rouwe heb ik uw Kamer reeds laten weten dat het

resterende budget voor de Quick Wins binnenhavens niet op voorhand is

uitgesloten van de invulling van de subsidietaakstelling uit het regeerakkoord. Ik

streef ernaar hierover bij Voorjaarsnota duidelijkheid te kunnen geven. In de

komende maanden zal, naast de genoemde acties met betrekking tot

ligplaatsvoorzieningen en walstroom, een nadere inventarisatie plaatsvinden van

potentieel kansrijke projecten die passen bij de hierboven geschetste kaders.

Tevens zal ik bezien wat het meest geschikte juridische instrument is om de

resterende middelen met zo min mogelijk administratieve lasten beschikbaar te

stellen.

Historische vaartuigen voor recreatief gebruik

Uw Kamer heeft bij motie van de leden De Rouwe en Roefs (30523, nr. 13)

verzocht beperkingen door technische eisen voor het recreatief gebruik van

historische vaartuigen, zoals skûtsjes, zo veel mogelijk te voorkomen. Op basis

van bijlage 3.5 van de Binnenvaartregeling gelden reeds nu beperkte technische

eisen voor skûtsjes op de binnenwateren van Friesland, Groningen en Drenthe.

Voor schepen voor recreatief gebruik (pleziervaartuigen) zijn in de bijlage van

Richtlijn 2006/87 EG (technische voorschriften binnenschepen) bijzondere

bepalingen opgenomen die een versoepeling vormen van de normale technische

voorschriften. Hiertoe heeft Nederland inmiddels samen met Duitsland, Polen en

het Verenigd Koninkrijk een voorstel ingediend. Het gaat hier om een versoepeling

van de technische eisen voor historische schepen die worden gebruikt voor

demonstratiedoeleinden (zoals replica's van VOC-schepen of oude stoomschepen).

Naar verwachting zal dit voorstel in de loop van 2011 kunnen worden

aangenomen, waarna het op 31 december 2013 in werking kan treden. Wil men

historische schepen benutten voor commerciële doeleinden, dan kan men

daarvoor bij de Europese Commissie om een individuele ontheffing vragen.

Hoogachtend,

DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU,

mw. drs. M.H. Schultz van Haegen



Nog even ter herinnering:



Dit is wat de reactie van de ASV was:



Betreft digitale ronde concept "tijdelijk concept laden en lossen binnenvaart"



Een reactie van De Algemeene Schippersvereeniging (ASV)



Als eerste aandachtspunt willen wij vermelden dat wij niet bij de onderhandelingen betrokken zijn geweest. De ASV heeft dus geen vragen kunnen stellen ter verduidelijking of opmerkingen kunnen maken om eventuele correcties aan te kunnen brengen. Omdat de ASV nu op korte termijn moet reageren houden wij een slag om de arm wat betreft eventuele misverstanden. Wij hebben getracht alles zorgvuldig te lezen en te interpreteren. Van daaruit heeft de ASV vooralsnog de volgende op- en aanmerkingen.



De ASV kan zich op een aantal punten niet verenigen met het voorstel:

De overliggelden zouden aangepast moeten worden aan kostprijsniveau, het uurtarief lijkt daar niet aan te voldoen. Een onafhankelijke organisatie (NEA) zou dit moeten vaststellen. Er zou een basisregeling moeten zijn waarbij er niet onder kostprijstarieven afspraken gemaakt mogen worden.

Het voorstel is slechts voor de duur van 2 jaar daarna moet het bedrijfsleven het zelf regelen. Gezien de huidige gang van zaken kan men weten wat er dan gebeurt. Het uitonderhandelen is nauwelijks een optie. In de praktijk is het slikken of stikken, dat was zelfs in de "goede" tijd zo.

Ook lijkt het er op dat in deze regeling van de schipper geëist kan worden (artikel 7.2) een onverantwoord aantal uren achter elkaar werkzaam te zijn. Zo staat er dat de werktijd loopt van maandag 6.00 uur tot zaterdag 18.00 uur. Dus doortellend dag en nacht: dan zijn 48 uur (lange lostijd bij een schip dat tot 400 ton vervoert) bijvoorbeeld dus gewoon twee dagen. Je bent verplicht gedurende de gehele periode die de werktijd duurt gelegenheid te geven tot laden of lossen. Indien er tijdens de werktijd gelost of geladen moet worden tussen 22.00 uur en de volgende dag 6.00 uur dan moet dat alleen tevoren zijn gemeld. 84 uur (de maximale lostijd voor vervoerde goederen met een gewicht van tenminste 5500 ton) is drie en een halve dag tellend vanaf respectievelijk 6-12 of 18 uur tijdens de werktijd. Hoe je in voorkomend geval 84 uur ononderbroken mag werken zonder met de Arbo-wet in aanvaring te komen is ons een raadsel.

Het lijkt de ASV daarom noodzakelijk een maximaal aantal werkzame uren vast te stellen waarna er een bepaalde rustpauze (doorbetaald) ingelast dient te worden (bijvoorbeeld maximaal 12 werkzame uren gevolgd door minimaal 8 rust uren)

Verder is het een feit, dat met het nachtelijk beschikbaar moeten zijn voor te laden/lossen de regeling een achteruitgang is.

De voorkeur van de ASV gaat uit naar 1 type laad- en lostijd en wel de korte versie. Schepen die nu bijvoorbeeld in het binnenlandsvervoer 3 losdagen hebben, hebben met de lange lostijd 3 dagen én 3 nachten lostijd, dat is niet echt een vooruitgang.

Het besluit maakt de zaken er niet eenvoudiger op terwijl dat toch het streven zou moeten zijn.

Het per uur berekenen zonder een basistarief gaat ervoor zorgdragen dat schippers een zodanig klein bedrag moeten gaan claimen dat het ontvangen van dat geld een nog groter probleem wordt dan het nu al is.Effectief gaat dat er voor zorgdragen dat veel liggelden niet betaald gaan worden.



Overigens:

In een aantal opzichten is de tekst niet geheel duidelijk. Dat zou tot misverstanden kunnen leiden.

Artikel 5.2 vraagt om een verduidelijking. Daarin staat: "onverminderd artikel 931, vijfde lid,, van boek 8 van het Burgerlijk wetboek, doen kennisgevingen de lange laad- of lostijd ingaan om 6.00 uur op de werkdag die als eerste volgt op de werkdag waarop de kennisgeving van laad- of losgereed is gedaan."

In het voorstel is niet beschreven dat de schipper gerechtigd zou zijn na een bepaalde periode (volgens het burgerlijk wetboek kan men na 6 dagen een schadevergoeding eisen) te eisen dat het schip gelost wordt. Waarna de schipper, indien dit lossen niet plaats zal vinden voor het verstrijken van dat termijn, bepaalt wat de (meer)kosten zijn. Er wordt ook niet verwezen in dit stuk naar de wet die in deze regeling voorziet. (ons inziens zou daar naar verwezen moeten worden)



Nota bene:



De uurtarieven zijn nogal verschillend en lijken onredelijk. Als 1 persoon gaat onderhandelen over de liggelden rekent men in het voorstel ? 60,- per uur. Maar ? 13,- per uur is tegelijkertijd kennelijk ook voldoende om over een (klein) schip met twee personen aan boord te kunnen beschikken.





Ik hoop u hiermee voldoende op de hoogte gesteld te hebben,



Met vriendelijke groet,



Sunniva Fluitsma (ASV)



overigens: Je vindt het laad- en lostijdenbesluit op de site van het EICB



groetjes

Sunniva












* Vind je VAART!genoten op: http://www.vaart.nl
* Het adres voor reacties en nieuwe berichten: [email protected]
* Afmelden op: [email protected] met tekst: unsubscribe VAART-L


Antwoord per e-mail aan